Lijkkoetsen en grafzerken om niet van te griezelen

De uitvaartwereld betaalt, maar het nieuwe Nederlands Uitvaartmuseum moet geen ‘branchemuseum’ worden.

Het museum wordt een kenniscentrum over de dood.

Hier ligt begraven mijn boze Griet

Dat ze in de hemel is geloof ik niet

In de hel

dat weet ik wel

Een tekst van een grafsteen uit de eerste helft van de 19de eeuw. De steen is ergens gevonden in een Noord-Hollands varkenskot, waar hij werd hergebruikt als vloertegel.

Henk Kok (83), ‘funerair historicus’, gebruikte de tekst vaak bij zijn dialezingen om te laten zien dat dood en uitvaart niet eng hoeven te zijn: „Bij dit onderwerp moeten mensen altijd even over een drempel heen. Daarom moet je het niet te griezelig maken. Een beetje humor kan de spanning breken.”

Kok is de stichter van het Nederlands Uitvaartmuseum in Amsterdam, dat deze zomer open moet gaan. Hij schreef diverse boeken over funeraire geschiedenis, hield meer dan 250 lezingen en organiseerde zo’n veertig exposities. Kok verzamelt alles over dood, rouw en uitvaart. Een hobby die begon toen hij na de Tweede Wereldoorlog werkte bij een bedrijf dat onder meer in uitvaartverzekeringen en uitvaartartikelen deed.

Eng, dat museum?

Nee, zegt projectleider Guus Sluiter. „Je krijgt hier geen vreselijke dingen te zien. Wij zijn geen griezelkabinet.” Het museum zal volgens hem „onze omgang met de dood laten zien. Vroeger, nu, en in de toekomst.”

Kok organiseerde eind jaren tachtig een tentoonstelling over uitvaarten in het Rijksmuseum Twenthe (titel: De laatste gang). Die expositie trok in een paar maanden tijd 25.000 bezoekers. De meesten moesten even wennen. Kok: „Er was een vrouw die eerst alleen kwam om te kijken of er geen lijken en doodskisten te zien waren. Nee dus. Ze kwam ’s middags terug en had haar kinderen meegenomen.” Het Nederlands Uitvaartmuseum zal geen „honderdduizenden bezoekers per jaar trekken” zegt Sluiter. „Tussen de 10.000 en 20.000 moet haalbaar zijn.”

De collectie omvat onder meer lijkkoetsen, bidprentjes, draagbaren, grafzerken, dodenlantaarns, rouwkleding, en rouwsieraden. Een groot deel van de collectie komt van Kok, die als conservator en adviseur aan het museum is verbonden. De collectie wordt aangevuld met schenkingen en aankopen van particulieren. Ook komen er bruiklenen van andere musea.

Landen als Duitsland, Oostenrijk, Spanje en de Verenigde Staten hebben al een uitvaartmuseum, in Engeland en Frankrijk zijn ze er mee bezig. De musea zijn verenigd in de European Federation of Funeral Museums.

Het taboe is er gelukkig vanaf, concludeert projectleider Guus Sluiter. „De belangstelling in de samenleving voor de dood wordt groter. Er zijn steeds meer tv-programma’s, beurzen, tijdschriften, en kranten met bijlages. Waarom ook niet? Het is zo’n essentieel deel van het leven. Het vertelt heel veel over wie je bent, in welke cultuur je leeft, en welke religie je hebt. Het is eigenlijk absurd dat er in Nederland nog geen uitvaartmuseum is.”

Henk Kok beaamt: „Wij Nederlanders bewaren alles voor het nageslacht. Er zijn brandweermusea, speelgoedmusea, zelfs een strijkijzermuseum. Waarom niet een museum over de dood? Het zou zonde zijn als zo’n grote erfenis van onze voorouders verloren zou gaan.”