Kunst te koop

Er zijn maar weinig Nederlanders met genoeg zelfvertrouwen om een oordeel te vellen over hedendaagse beeldende kunst. Er zijn er nog minder die zich wagen aan de aankoop van een werk. Hedendaagse schilderijen, video-installaties of sculpturen zijn in Nederland hogere wiskunde, hoofdzakelijk bestemd voor ingewijden die in commissies beslissen of de makers geld mogen krijgen. Deze commissies van kunstfondsen kopen meestal geen kunst, maar verlenen stipendia voor verdere productie. In de beoordeling spelen tijdelijke beleidsprioriteiten (diversiteit bijvoorbeeld) een rol. De kunstenaar die geen stipendium krijgt en te weinig verkoopt, kan nog altijd voor een periode van maximaal vier jaar een uitkering krijgen op grond van de Wet Werk en Inkomen Kunstenaars. Het Nederlandse subsidiesysteem richt zich dus op het aanbod van en niet op de vraag naar beeldende kunst. Tekenend voor deze wanverhouding zijn de honderden die in Nederland jaarlijks aan kunstacademies afstuderen in de verwachting kunstenaar te worden, ongeacht de belangstelling voor hun werk.

In een lezenswaardige essaybundel hebben de directeuren van de twee belangrijkste subsidiefondsen, de Mondriaan Stichting en het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, het uniek Nederlandse subsidiesysteem voor beeldende kunst nu aan de kaak gesteld. Zij maken zich zorgen over de besloten commissies en het gebrek aan publieke betrokkenheid. De commissieleden geven gezamenlijk geld aan kunstenaars die ze persoonlijk niet zouden willen steunen. De kunstenaars hoeven nauwelijks rekening te houden met publiek. Omdat de overheid meebetaalt aan de productie, zijn de prijzen van de kunstwerken laag en spelen galeries een geringe rol. Zodra een kunstenaar internationaal doorbreekt, sluit hij zich aan bij een buitenlandse galerie die meer geld heeft. Er is geen goed klimaat voor verzamelaars van beeldende kunst in Nederland.

De directeuren willen van het besloten commissiesysteem af. Het geld zou volgens hen onder minder en beter gekwalificeerde kunstenaars moeten worden verdeeld. In plaats van commissies zouden intendanten een keuze moeten maken waarvoor ze persoonlijk verantwoordelijk zijn. Musea zouden kunstenaars kunnen steunen wier werk ze vervolgens zelf tentoonstellen. Ook wordt gepleit voor meer publieke verantwoording en debat over de gemaakte keuzes.

Het belangrijkste is dat beeldend kunstenaars minder van de overheid afhankelijk zijn en meer mensen zelf beeldende kunst durven kopen. Er is genoeg geld onder particulieren. De overheid kan kunstaankopen fiscaal faciliteren. Een individu kan niet een concert, film of toneelvoorstelling kopen, maar een goed schilderij hoeft niet duurder te zijn dan een speciaal ontworpen aanrecht of zithoek. Vaak is het een duurzamere belegging. Kunstenaars zouden er rekening mee kunnen houden dat bepaalde installaties niet in de huiskamer passen. Uit de voorbeelden van Rembrandt en El Greco blijkt dat strenge opdrachtgevers kunst ten goede kunnen komen. Er kan ook te veel vrijheid zijn. Een neveneffect is dat kunstenaars die zich meer tot het publiek richten, meer kans maken internationaal door te breken. Net als in de Gouden Eeuw moeten kopers meer en commissies minder bepalen welke schilderijen en sculpturen de moeite waard zijn.