Kort2

Een uurtje lachen

Wie vindt het eigenlijk wél leuk, dat vragenuurtje op dinsdagmiddag? Het uur waarop de Tweede Kamer, bewindslieden op het matje roept na een artikel in de krant of een item op de televisie. Tweede-Kamerleden en ministers mopperen graag op het uur, dat de laatste maanden vooral wordt aangegrepen door de fracties van de Partij voor de Vrijheid en de Partij voor de Dieren. Ze noemen het een ritueel, maar maken er ook graag gebruik van, vooral de oppositie.

Het vragenuur werd ooit, naar Brits voorbeeld, bedacht om het parlementaire debat levendiger te maken. Maar in de praktijk werkt het niet, zegt fractievoorzitter Jacques Tichelaar (PvdA) vandaag in dagblad De Pers. Een poging van voormalig Kamervoorzitter Frans Weisglas (VVD) het uurtje spannender te maken met een verrijdbaar spreekgestoelte na enkele pogingen weer gestaakt.

De PvdA-fractie gaat nu een daad stellen en het vragenuur in de Commissie voor de werkwijze van de Tweede Kamer aan de orde stellen. „Je stelt je vraag, na drie minuten ga je weer zitten, dan zijn er vier interrupties en dat is het. De bewindslieden komen gillend van de lach naar de Tweede Kamer”, aldus Tichelaar.

Opmerkelijk is overigens wel dat de PvdA de afgelopen vier jaar, toen de partij nog in de oppositie zat, met grote regelmaat van het vragenuurtje gebruik maakte. Het is een echt oppositie-vehikel.

Gaat er straks ook echt iets veranderen? Tichelaar zou het wel willen. Hij wil dat de Kamer onderwerpen gaat agenderen, waarna er vier uur „vrijelijk debat” ontstaat. Maar vooralsnog staat voor morgen om twee uur ’s nog gewoon een uurtje ‘mondelinge vragen’ gepland. (GV)

Helpt hulp?

Arend Jan Boekestijn, Kamerlid voor de VVD en voormalig hoofddocent geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht, heeft zijn politieke thema gevonden. Er moet, schrijft Boekestijn vandaag op de opiniepagina van de Volkskrant, een evaluatie-instituut komen om de effectiviteit van ontwikkelingshulp te onderzoeken. Knappe wetenschappers, onafhankelijk van de top van het ministerie, moeten voor eens en altijd uitmaken of onze genereuze hulp aan arme landen goed besteed is.

Is het een nieuw probleem dat de historicus aan de orde stelt? De vraag of hulp helpt is al zo oud als het begrip ontwikkelingssamenwerking en nooit eenduidig beantwoord. Maar ontwikkelingsprojecten behoren al tientallen jaren tot de meest geëvalueerde uitgaven van de rijksoverheid. De ‘Inspectie te Velde’ was gevreesd en berucht. Onafhankelijke wetenschappers – hun aantal is overigens beperkt – evalueren dat het een lieve lust is en medefinancieringsorganisaties worden iedere vier jaar gescreend.

Uit deze evaluaties komen rapporten voort die soms om politieke redenen – zoals in 2004 onder Balkenende-II gebeurde met een vernietigend rapport over hulp aan Suriname – onder het tapijt worden geveegd.

Er is best wat aan te merken op het financiële beheer van Buitenlandse Zaken, het ministerie waaronder ontwikkelingssamenwerking valt. In het jaarverslag 2006 van de Algemene Rekenkamer, dat vorige week werd gepubliceerd, krijgt het financieel beheer voor reis- en representatiekosten van Nederlandse diplomaten (10 miljoen euro) een onvoldoende. Ruim de helft van de kosten van de huurwoningen voor diplomaten in het buitenland overschrijdt het toegestane budget. De bouw van een nieuwe ambassade in Juba (Zuid-Soedan) is 98 procent hoger uitgevallen dan begroot. De Rekenkamer noemt de bouwkosten (5,4 miljoen) „onrechtmatig”.

Verspilling onder diplomaten – misschien ook een onderwerp voor Boekestijn? (RJ)

Bijdragen: Roel Janssen, Guus Valk