Een reis naar Bethlehem bekeerde hem

Oud-premier Dries van Agt was naar eigen zeggen lange tijd te pro-Israëlisch. Hij is gaan inzien waar de Palestijnen onder lijden, zegt hij, en voert nu campagne voor hen. Kennissen mijden het gesprek erover met hem. „Hij is zo fanatiek.”

Op Bevrijdingsdag droeg oud-premier Dries van Agt dit jaar een sjaal met een moskee erop en een Arabische tekst. Hij was op een Palestijnse conferentie in Rotterdam en zei dat er nu „eindelijk ook bevrijding” moest komen voor het Palestijnse volk. De politieke leiders in het Westen noemde hij „dwaas en onrechtvaardig” omdat ze geen contact wilden hebben met de democratisch gekozen politici van Hamas. En voor de camera van het televisieprogramma Nova zei hij: „De bezetting van Nederland duurde vijf jaar. De Palestijnen liggen al acht keer vijf jaar onder bezetting.”

Van Agt zegt nu dat hij dat, „gelet op de reacties”, niet nóg eens zo zou zeggen. „Mensen zoeken daar achter dat ik op slinkse wijze de Israëlische bezetting met de nazitijd verbind.” Het ging hem, zegt hij, alleen maar om de tijdsduur.

Het was een uitspraak van iemand die boos is. Zo boos, dat „het punt van de explosie” nadert.

Er was een tijd – jaren zeventig – dat CDA’er Dries van Agt, als minister en later als premier, volgens hemzelf was „bedwelmd door de vooringenomenheid dat welgedaan moet zijn al wat Israël doet”.

Pas in de jaren negentig, toen hij al lang geen politicus meer was, werd hij in zijn eigen woorden „van Saulus tot Paulus”. Dat gebeurde tijdens een reis naar Israël. Hij ging „als onbeschreven katholieke jongen” naar Bethlehem. Daar was hij op een Palestijnse universiteit, opgericht door een aartsbisschop. Van Agt praatte met studenten en bestuurders van de universiteit, en met Palestijnen. Hij hoorde verhalen over vernederingen en onderdrukking.

In 2002 ging Van Agt meedoen aan acties van de groep ‘Stop de Bezetting’ van Gretta Duisenberg, hij eiste sancties tegen Israël, hij vertelde over Palestijnen die bij Israëlische controleposten moesten doen alsof ze honden waren. In zijn Haagse tijd, zei hij ook, had hij zich „verkeken” op de kwestie-Palestina.

Waren hem nu dan opeens de ogen geopend, net als bij Saulus die zich na zijn bekering Paulus ging noemen? Was de politicus Van Agt echt zo bedwelmd geweest door de Nederlandse liefde voor Israël, als hij nu zegt?

Helemaal niet, zegt Ronny Naftaniël, directeur van het Centrum voor Informatie en Documentatie over Israël (CIDI). Volgens Naftaniël was er in Nederland juist nooit een premier die kritischer was over Israël dan Van Agt. Onder Van Agt verhuisde de Nederlandse ambassade van Jeruzalem naar Tel Aviv, na de annexatie door Israël van Oost-Jeruzalem. Van Agt, zegt Naftaniël ook, drong verschillende keren aan op sancties tegen Israël na het bloedbad, door christelijke milities, in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Van Agt zei dat de samenwerking tussen Europa en Israël zou moeten worden opgeschort. „Dat is allemaal nogal wat”, zegt Naftaniël. „Nog afgezien van zijn uitglijder toen hij zei dat hij een Ariër was.”

Dat was net na zijn benoeming als minister van Justitie, in 1971. Van Agt zei in een achtergrondgesprek met journalisten dat hij waarschijnlijk meer problemen zou krijgen bij de mogelijke vrijlating van de Drie van Breda (drie Duitse oorlogsmisdadigers die tot levenslang waren veroordeeld) dan zijn voorganger Polak, omdat híj een Ariër was. Van Agt bood er later zijn excuses voor aan.

In de kast van de werkkamer van Dries van Agt hebben boeken over Israël en de bezette gebieden een speciale plek: ‘Palestine peace not apartheid’ bijvoorbeeld, van de Amerikaanse oud-president Jimmy Carter. Van Agt werd lid van de raad van toezicht van de Palestijnse universiteit in Bethlehem, hij spreekt op pro-Palestina-bijeenkomsten.

In 2005 kreeg Van Agt een brief van de Israëlische regering. Daar stond in, zegt hij, dat hij onwaarheden zei. Die zouden hem „tot schande strekken”. Hij begrijpt de opwinding niet die hij oproept, zegt hij. Hij is toch een ambteloos burger van hoge leeftijd?

Op minder hoge leeftijd, in de tijd dat hij nog politicus was, had hij volgens oud-collega’s nauwelijks belangstelling voor het Midden-Oosten. Met die ‘bedwelming door vooringenomenheid’ voor Israël, viel het wel mee. „Ik herinner me niet één diepgaand gesprek met hem over Israël”, zegt oud-minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel, die Van Agt twee kabinetsperiodes meemaakte. Hans van den Broek, oud-minister van Buitenlandse Zaken, zegt dat het conflict tussen Israël en de Palestijnen „geen hot issue” was voor Van Agt.

Het is ook weer niet zo dat oud-collega’s verbaasd zijn omdat de Palestijnse zaak nu opeens wel belangrijk is voor Van Agt. „Hij was iemand die zich ineens in een onderwerp kon vastbijten”, zegt Van der Stoel. Dat deed hij volgens Van der Stoel ook toen het over abortus ging, in de jaren zeventig. Van Agt, toen minister van Justitie, probeerde de abortuskliniek Bloemenhove te laten sluiten.

Volgens oud-minister Hans van Mierlo, die Van Agt al kent sinds hun studententijd aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, is „het oerinstinct” van Van Agt „aan de linkerkant”. Als KVP-minister en later als CDA-premier werd hij „onder druk van het politieke patroon” conservatief, zegt Van Mierlo. „Ik denk dat er nu een kant van hem naar voren komt die er altijd heeft gezeten, maar die hij had verdrongen.”

Voor oud-ARP-fractievoorzitter Willem Aantjes zijn er „voorvallen” geweest die hem deden vermoeden dat Van Agt minder pro-Israëlisch was dan hij nu zegt: de uitspraak van Van Agt dat hij Ariër was bijvoorbeeld, en de zaak van de oorlogsmisdadiger Pieter Menten die, tijdens het ministerschap van Van Agt, ontsnapte net voordat hij gearresteerd zou worden. „Het zijn in elk geval geen aanwijzingen dat hij in zijn politieke carrière zo pro-Israël was.”

Aantjes vindt dat Van Agt „steeds extremer” wordt als het over de Palestijnse zaak gaat. „Hij is zo fanatiek. Ik begrijp niet dat hij optrok met Gretta Duisenberg. Zij had het over ‘joodse mensen in Nederland’ die medeverantwoordelijk zijn voor wat Israël doet. Dan wakkert ze een antisemitisch sentiment aan. Ernst Hirsch Ballin zei terecht: ik zou andere vrienden kiezen.”

Van den Broek is het „inhoudelijk” eens met Van Agt. Het Midden-Oostenbeleid, zegt hij, is „weinig evenwichtig”. „Er worden veel eisen gesteld aan de Palestijnen die niet worden gesteld aan Israël.” Van den Broek stuurt e-mails naar Kamerleden van het CDA en naar minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken. „Je hoopt zo de discussie binnen je eigen partij op gang te brengen.” Of dat lukt? Van den Broek: „Ook het CDA, en dat is niet zo verwonderlijk, kent gelovigen die de messiaanse gedachte omarmen en die toepassen op Israël. Intussen moeten de Palestijnen er maar mee leven.”

Dries van Agt brengt dezelfde boodschap, zegt Van den Broek, „op zijn eigen manier”. „Ik betreur het zeer dat hij door columnisten die kiezen voor het recht van de sterkste, als de risee wordt neergezet.”

Is het mogelijk dat Van Agt het daar zelf naar maakt door zijn publieke optredens of door uitspraken die hij doet? Van den Broek: „Het feit dat ík kies voor aan andere manier is al een antwoord op uw vraag.” Gretta Duisenberg bijvoorbeeld, zegt Van den Broek, „dreigt door te slaan”. „Als je de boodschap onaantrekkelijk opdient, op een manier die extreem lijkt, maak je het je tegenstanders wel makkelijk.” Doet Van Agt dat ook? „Een beetje wel, ja.”

Ronny Naftaniël van het CIDI denkt dat Van Agt zich door zijn uitspraak over de bezetting van de Palestijnen die ‘acht keer vijf jaar’ duurt en door zijn pleidooien voor Hamas „buiten de orde” heeft geplaatst. „Solidariteit met de Palestijnen is heel goed. Maar het heeft een grens waar het gaat over organisaties die Israël willen vernietigen.”

De sjaal met de moskee erop, die hij op Bevrijdingsdag droeg, had Van Agt tijdens de Palestijnse conferentie in Rotterdam gekregen van een meisje. Dat had hem ontroerd – al weet hij niet wat de Arabische tekst betekent. Hij was ook „hevig geëmotioneerd” geweest door het applaus dat hij had gekregen. „Er waren tweeduizend mensen die een Europese vriend hadden gevonden.”

De heftige reacties die hij krijgt van mensen die het níet met hem eens zijn, hebben volgens Van Agt te maken met „de emotie” van mensen over Israël. „Er zijn twee oorzaken voor. De eerste is de holocaust. Europeanen hebben het recht verloren, vinden velen, om kritiek te leveren op Israel. Dat is invoelbaar maar onredelijk. De Palestijnen hebben immers part noch deel aan de holocaust gehad”. En het christelijk geloof maakt het nog ingewikkelder. „Verkeerd begrepen noties, ontleend aan de Bijbel, bij veel christenen over Israël als het Beloofde Land, het uitverkoren volk Gods.” Van Agt leerde daar zelf ook over op school. „Maar het kan niet de wens van de Almachtige zijn dat Zijn volk, om zich meester te maken van het Land, zich te buiten gaat aan vergrijpen tegen het internationale recht waaronder het plegen van oorlogsmisdaden.”

Van Agt zegt dat hij ook elk ander conflict in de wereld had kunnen kiezen – het werd toevallig Israël door zijn reis naar Bethlehem. Hij zegt ook dat het de ánderen zijn die emotioneel zijn. Is hij zelf dan alleen maar rationeel en zakelijk?

Van Agt zegt van zichzelf dat hij „predikend” rondgaat om de wereld te wijzen op het onrecht dat de Palestijnen wordt aangedaan. Hij is, zei hij tijdens de Palestijnse conferentie in Rotterdam, „vervuld van missievuur”. Hij zou „krachtig” bidden voor Verhagen, waardoor die net als Van Agt zelf en Van den Broek zou gaan inzien dat er in het Midden-Oosten „met twee maten” wordt gemeten. En hij kan „furieus” worden als hij „het CIDI-verhaal” hoort: dat het allemaal „aan de Palestijnen zelf” ligt.

Ronny Naftaniël van het CIDI denkt dat Van Agt kwaad op hem is omdat Naftaniël „de mythe doorprikt” dat Van Agt de ogen geopend werden. Zo’n verhaal past volgens Naftaniël bij de religieuze belevenis: „Dat je een dwaalleer aanhangt en dan het licht ziet.”

Naftaniël zegt dat hij graag in debat zou gaan met Van Agt maar dat Van Agt niet wil. Anderen vermijden het gesprek met Van Agt over Israël. Hij weet veel, maar hij is zo fanatiek dat een gesprek onaangenaam is, zeggen oud-collega’s. Oud-minister Van der Stoel zegt dat hij nu, als hij Van Agt tegenkomt, liever niet met hem over buitenlands beleid praat. „We schudden een handje, we maken een praatje. Van Agt is zo vasthoudend dat een gesprek geen zin heeft.”

Oud VVD-leider Hans Wiegel, die Van Agt een paar keer per jaar ziet en soms met hem gaat eten, heeft nog nooit met hem over Israël en de Palestijnen gesproken. „Als hij er zelf niet over begint, vraag ik hem er niet naar. Ik vertel wat ik wil vertellen, en hij vertelt wat hij wil vertellen. Zo gaan wij met elkaar om.” Het is prima, hoor, wat Dries van Agt doet, zegt Wiegel. „Anderen gaan tuinieren.” Maar nee, Wiegel is het niet met hem eens. „Ik ben pro-Israël. Ik ben niet tegen de Palestijnen.”

Volgens Aantjes is Van Agt nooit op zoek geweest naar debat over Israël. „In het CDA hoorde je hem er niet over.” Van Agt zegt zelf dat hij wel begrijpt waarom maar weinig mensen met hem willen praten over Israël. Hij weet er bijna altijd meer van dan anderen. „Veel mensen luisteren met schellen voor hun ogen en duimen in hun oren.”