Varkens houden is veevoer omzetten in vlees

De burger heeft de bio-industrie op de politieke agenda gezet. Letterlijk, door middel van een burgerinitiatief. De Kamer praat deze week over de toekomst van de intensieve veehouderij.

Het woord ‘burger’ heeft op het platteland een aparte betekenis. „Boeren kijken rationeel tegen dieren aan, burgers emotioneel”, zegt Wyno Zwanenburg, voorzitter van de Nederlandse Vakbond Varkenshouders. Burgers lopen rond met „oude beelden en vooroordelen” over de veehouderij, meent Frans Meulenmeesters, varkenshouder en voorzitter van de stichting Varkens in Zicht.

Maar boeren kunnen de meningen van deze burgers niet negeren. Neem alleen al de opkomst van de Partij voor de Dieren, die sinds november in de Tweede Kamer zit. Woensdag begint de Kamer met de beraadslagingen over het door Milieudefensie geïnitieerde burgerinitiatief Stop Fout Vlees, dat een einde wil maken aan de intensieve veehouderij. Meer dan 100.000 mensen hebben dit initiatief, waarmee burgers onderwerpen op de agenda van het parlement kunnen zetten, ondertekend.

Intensieve veehouderij wil zeggen dat dieren binnenshuis worden gehouden zonder dat er nog een relatie met de grond bestaat. Intensieve bedrijven kunnen net zo goed op een industrieterrein staan. Varkens en pluimvee worden op deze manier gehouden, plus een klein aantal kalveren (zie inzet). Het meest omstreden is de varkenshouderij. De Stichting Varkens in Nood heeft een dagtaak aan het bestrijden van de sector. Varkenshouders zijn een tegencampagne begonnen met de actie Varkens in Zicht.

Varkenshouders zijn trots op hun prestaties. „Nergens ter wereld wordt veevoer zo efficiënt omgezet in vlees”, zegt Wyno Zwanenburg. Maar de winstmarge op een varken is minimaal en dus is het aantal dieren per bedrijf hard gegroeid. In 1980 had een varkensboer gemiddeld 200 varkens, nu 1.200. Tegelijkertijd zijn de stallen na de varkenspest van 1997 op slot gegaan met het oog op het risico van besmetting. Wie nu een varkensstal wil bezoeken, moet speciale kleding aan en naar binnen via een ‘hygiënesluis’ met douches.

De schaalvergroting in de veehouderij heeft boer en burger uit elkaar gedreven. De samenleving ziet het massaal houden van dieren als „onnatuurlijk”, zegt Jan Staman, directeur van het Rathenau Instituut, die als oud-ambtenaar van het ministerie van Landbouw regelmatig als spreker opduikt in discussies over de landbouw.

Er is een kloof met de samenleving ontstaan en boeren kunnen die niet meer negeren, zegt ook Karel de Greef, onderzoeker veehouderijsystemen bij de Wageningse Universiteit, om de simpele reden dat de wetgever naar de samenleving luistert. „Het is bijna politiek incorrect om boeren nog te verdedigen.”

De overheid heeft de afgelopen jaren de regels verscherpt. Zo zijn er nieuwe normen voor varkensstallen – met name meer ruimte voor zeugen – die vanaf 2013 voor alle dan bestaande stallen gaan gelden (in de tussentijd alleen voor nieuwbouw). Door nieuwe mestregels zijn varkensboeren tegenwoordig handen vol geld kwijt om van hun mest af te komen. „Maar tegemoet komen aan maatschappelijke wensen kost geld, want de economie dicteert: zoveel mogelijk varkens in een zo klein mogelijke ruimte.” Het resultaat is, aldus De Greef, dat de huidige sector „bijna niet meer kan opboksen tegen wereldmarktprijzen. Het lijkt op wat de scheepsbouw en de textielindustrie hebben meegemaakt.”

De sector doet zijn uiterste best om begrip te tonen voor de maatschappelijke onvrede. „We leven in een dichtbevolkt land. De burger wil recreëren op het platteland en interesseert zich voor onze productiewijze”, zegt Daan van Doorn, directeur van Vion, het grootste vleesbedrijf van Europa, dat het merendeel van de in Nederland geslachte varkens voor zijn rekening neemt. „Daarom moeten we qua duurzaamheid toch weer een stap verder zien te komen.”

Tegelijkertijd wil de veesector zich niet zomaar opzij laten schuiven. De burger mag kritiek hebben, als consument bepaalt diezelfde burger wat de boer produceert. „Wij bedienen per dag 100 miljoen consumenten”, zegt Van Doorn, „en werken dus vanuit de keuze die de consument maakt. De consument laat zich in de praktijk minder leiden door duurzaamheid. Dat is een gegeven, of we het er mee eens zijn of niet.” Alleen de koper van biologisch voedsel is bereid voor duurzaamheid te betalen, constateert Van Doorn, maar „dat is een nichemarkt”.

Varkenshouders moeten „transparant” zijn en de „dialoog” met de samenleving aangaan, stelt Frans Meulenmeesters van de stichting Varkens in Zicht bij de opening van de tiende zogeheten ‘zichtstal’ in Nederland, eerder deze week in Middenbeemster. Varkens in Zicht wil mensen laten zien hoe varkens erbij liggen. Varkensboeren bouwen skyboxen aan hun stal waar iedereen welkom is om een blik te werpen in de varkensstal. Maar ook met deze goedbedoelde poging vindt Meulenmeesters weer ‘de burger’ op zijn pad. De Partij voor de Dieren heeft de stichting bij de Reclame Code Commissie aangeklaagd omdat die niet meldt dat „de meeste bedrijven buiten het zicht van het publiek nog steeds onder erbarmelijke omstandigheden varkens houden op kale betonvloeren, zonder stro, zonder ruimte en tussen metalen stangen”.

Toch is er ook toenadering. Varkens in Zicht overlegt sinds kort met opponent Varkens in Nood over de zichtstallen. „Het zijn natuurlijk alleen de vooruitstrevende boeren die alles goed voor elkaar hebben, die hun stallen willen laten zien”, zegt Patricia Beekelaar van Varkens in Nood. „Wij hebben gevraagd of ze ook aandacht willen geven aan zaken die niet te zien zijn. Er zijn verbeteringen, maar er blijven ook meningsverschillen. Zoals de mate van openheid over castreren en couperen. Dat zijn de minder populaire kanten die wij essentieel vinden.”

Een andere ontwikkeling is een stal die is gebouwd vanuit de noden van het varken in plaats van het gemak van de boer. „Een varken wil bijvoorbeeld wroeten”, zegt De Greef die namens de Wageningse universiteit bij dit project betrokken is. Dus ligt er stro op de vloer en werkt men aan ‘wroetapparaten’ die het varken net zoveel genoegen moeten geven als buiten wroeten. Het initiatief voor deze stal – comfort class gedoopt – komt van de Land- en Tuinbouworganisatie en de Dierenbescherming. Vijf boeren zullen dit jaar hun stallen naar dit voorbeeld gaan verbouwen.

Maar meer ruimte voor het varken kost meer geld. Vleesbedrijf Vion onderzoekt of de consument meer wil betalen voor duurzamer geproduceerd vlees, zegt directeur Van Doorn. Ook de LTO wil die kant op. „Ik zou met winkelketens en Vion een convenant ‘duurzaam varkensvlees’ willen afsluiten”, zegt Annechien ten Have, voorzitter van de vakgroep varkenshouderij van de LTO, „zodat we er samen aan gaan werken om ‘duurzaamheid’ te verkopen, want als boeren verkopen wij zelf niks.”

Beemster varkenshouder Arie-Jan van der Mark heeft dit probleem zelf al opgelost. „Tien jaar geleden ging het zo slecht dat de keuze was: of een tweede baan, of meer geld voor een varken”, vertelt Van der Mark bij de opening van zijn ‘zichtstal’ deze week. Hij koos het laatste en creëerde iets geheel nieuws: het Beemsterlants Varken. „Ik heb een kringloop opgezet. Tarwe en stro komen van twee akkerbouwers hier uit de Beemster, in ruil nemen zij mijn mest af.” Van der Mark zet zijn varkens direct bij slagers af en krijgt 20 procent meer dan vroeger.

Wat is het verschil? Drie slagers op zijn erf zijn laaiend enthousiast. „De smaak is fantastisch en totaal anders dan gewoon vlees”, zegt de Amsterdamse slager Herman de Wit. „Het zit hem in het voer uit de Beemster, de tarwe die wordt gemengd met wei [het vocht dat overblijft bij het maken van kaas, red.] tot ouderwetse slobber”, vult zijn collega Willem Krijnen aan.

„Het heeft geen zin als burgers alleen maar protesteren”, zegt minister Gerda Verburg (CDA, LNV) op het erf van Van der Mark. „Burgers moeten zich realiseren dat aan alles een prijskaartje hangt, ook als ze de supermarkt inlopen.” Dus, meldt Verburg, zal haar ministerie een nieuwe campagne beginnen onder het motto: ‘Het dier kan niet kiezen, u wel.’