Tommie

Op een strandje in een mooie baai in Portugal met alleen Portugezen maakt schrijver L.H. Wiener een klein familiedrama mee.

Mijn zoontje Arend was bijna drie en vilein in zijn wang gestoken door twee Portugese muggen. Tweemaal op dezelfde plaats, wat ik een misselijke streek vond en ik heb sindsdien altijd verbeten jacht gemaakt op alles wat op een mug geleek.

Ondanks Arends ongemak, waardoor hij slecht geslapen had en hangerig was, gingen wij (Arend dus, zijn moeder, die toen nog niet weggelopen was, en ik) naar een naburig strandje, een mooie baai waar geen toeristen waren, alleen Portugezen. Tegen de rotsen aan de achterzijde van het strand zat een groepje zigeunervrouwen met kinderen, die tussen hen en de zee heen en weer speelden. De vrouwen allen in het zwart en ernstig.

Een groepje jongens in de kracht van hun leven, achttien, negentien jaar oud, hield met veel gevoel een bal hoog. Arend holde er naartoe en wilde die bal pakken. Ik keek van een afstand toe of dat wel goed zou gaan. En wat ik toen zag vertederde me zeer: de jongens staakten hun spel en tikten de bal naar Arend toe, die even dacht dat hij Eusebio zelve was. (Eusebio is, zoals men weet, de Johan Cruijff van Portugal). Dat was leuk, dat die grote jongens aardigheid hadden in zo’n klein blond, buitenlands jongetje.

Er kwam een gedistingeerde heer langs, dat kon ik zien aan zijn hoofd, niet aan zijn blote lijf en wij raakten in gesprek, waarbij ik mij haastte om kenbaar te maken dat ik geen Duitser was en vooral ook niet wilde zijn. Wij converseerden in het Engels. Heel gemoedelijk en stijlvol. Hij vond Arend een leuk ventje en ik ook.

Toen wij terug waren in het appartement bleek Arend Tommie vergeten te zijn. Dit was ernstig tot desastreus, want Tommie was zijn beertje, zonder wie hij absoluut machteloos was, om niet te zeggen verloren. Het strandje bevond zich een kilometer of vier verderop, maar wat stond mij anders te doen dan wederom in de huurauto te stappen en terug te gaan?

Op het strand kon ik Tommie niet meer vinden, maar de gedistingeerde heer bevond zich nog wel onder zijn strohoed op het strand. Ik liep naar hem toe en vroeg wat little bear was in het Portugees. Ursino antwoordde hij.

Daarna liep ik op de zigeunervrouwen toe en maakte een beleefde buiging, om ze niet bang te maken maar mild te stemmen. ‘Ursino’ prevelde ik en ik hield mijn handen zover uit elkaar dat Tommie er net tussen zou passen.

‘My son’, ging ik verder en hield mijn rechterhand ongeveer ter hoogte van mijn knie en toen weer: ‘ursino’, met een wegwerpgebaar. De vrouwen keken me aan en begonnen te glimlachen. Eén van hen wees naar de trap bij de rotsen.

Ik liep er naartoe en zag Tommie zitten op een richel in de rotswand, kennelijk daar neergezet door iemand die wist dat ik hem zou komen zoeken.

’s Avonds ben ik heerlijk dronken geworden.

L.H. Wiener