Sektarische patstelling is moeilijk te doorbreken

Columnist van de Washington Post. Schrijver van thrillers over internationale politiek. Zijn nieuwste boek is ‘Body of Lies’.

De straten in de sunnitische buurten van het noordwesten van Bagdad zijn vrijwel verlaten als de Black Hawk helikopter overvliegt. Amerikaanse legercommandanten zeggen dat de inwoners binnenshuis schuilen, of hun huis juist ontvlucht zijn om te ontkomen aan het sektarische geweld dat een groot aantal van Bagdads buurten in zijn greep heeft.

Als je de stad binnenrijdt vanaf het vliegveld, zie je op de gezichten van de weinige Irakezen langs de weg de uitgeholde blik van de angst. Het vriendelijke gezwaai van vier jaar geleden is allang verdwenen, evenals het boze geschreeuw van vorig jaar. Nu getuigen de gezichten nog slechts van uitputting en wanhoop, als gevolg van de dagelijkse sektarische moordpartijen. Er is nu weliswaar een Irakees leger op straat, maar dat betekent nog niet dat er ook één Iraaks volk is.

De Amerikaanse legercommandanten moeten uiterlijk in september verslag doen van de progressie die hun eenheden in Bagdad boeken. Centraal daarbij is de noodzaak van een politieke verzoening tussen de oorlogvoerende sekten van het land. Hoe moeilijk dat is, werd treffend geïllustreerd tijdens een bezoek van admiraal William Fallon, die als hoofd van U.S. Central Command (Centcom) de eindverantwoordelijkheid voor het verloop van de oorlog heeft.

Hooggeplaatste shi’itische en sunnitische leiders hielden voet bij stuk dat de andere partij schuldig is aan het geweld dat het land teistert. Ze eisten dat de andere partij als eerste concessies deed. Ze uitten steun voor de Amerikaanse troepen, maar klaagden dat hun eigen buurten niet veel veiliger waren geworden.

Fallon had eerst een ontmoeting met Abdul Aziz al-Hakim, een lome shi’itische geestelijke die de leider is van Iraks grootste shi’itische partij. Hakim, geflankeerd door de commandant van de Badr-militie van zijn groepering, zei tegen Fallon dat „het werkelijke probleem in Irak wordt gevormd door de sunnieten.” Zelfs als de shi’ieten concessies zouden doen aan de sunnieten, door de olie-inkomsten met hen te delen of het rustiger aan te doen met de ontmanteling van de oude Ba’athpartij-structuren, zouden „de vijanden dat nooit aanvaarden.”

„Het ligt dus in Gods handen?”, vroeg Fallon, zich bedienend van een islamitische zegswijze om een reactie uit te lokken. Hij opperde dat Hakim, omdat zijn shi’itische alliantie de meerderheid heeft in het Iraakse parlement, het initiatief zou moeten nemen en tot concessies bereid zou moeten zijn. Maar de medewerkers van Hakim protesteerden onmiddellijk dat Gods wil zich niet uitstrekte tot het sluiten van compromissen met sunnitische terroristen die shi’itische buurten met bommen bestookten.

Een paar minuten later zat Fallon in het kantoor van de Iraakse vicepresident, Tariq al-Hashimi, de hoogste sunnitische leider van het land. Hashimi had een lijst opgesteld met de concessies die hij eist van de shi’itische premier, Nouri al-Maliki. „De man achter het stuur is de premier”, zei hij. „Hij moet concessies doen.”

Deze twee ontmoetingen illustreren de politieke impasse in Irak. „Aan beide kanten zag je precies het tegenovergestelde”, zei Fallon later. Wat kunnen de Amerikaanse legercommandanten doen om deze sektarische patstelling te doorbreken? Hun strategie is gericht op het bestrijden van de dodelijkste gevaren – de zelfmoordterroristen van Al-Qaeda die vrijwel iedere dag tientallen shi’ieten vermoorden op markten en bij politiebureaus, en de shi’itische doodseskaders die de sunnitische buurten terroriseren. De commandanten hopen dat als deze sektarische moordenaars in toom gehouden kunnen worden, de doorsnee-shi’ieten en -sunnieten zich veiliger zullen voelen, zodat een nationaal proces van verzoening kan beginnen.

De Amerikaanse commandanten denken dat hun aanpak van de sunnitische en shi’itische extremisten vruchten begint af te werpen. In de provincie Anbar, een Al-Qaeda-bastion, beginnen de stamhoofden met de Amerikaanse troepen samen te werken tegen de sunnitische terroristen. Volgens luitenant-generaal Ray Odierno, die leiding geeft aan de dagelijkse militaire operaties in Irak, vonden vorige week in Anbar slechts 60 aanslagen plaats, tegen 480 per week een jaar geleden. Maar Al-Qaeda zet zijn dodelijke aanslagen voort, zoals blijkt uit de hinderlaag van vorige week zaterdag waarbij vier Amerikaanse soldaten omkwamen en drie soldaten verdwenen.

Ook de shi’itische doodseskaders staan onder druk. Het aantal sektarische moorden in Bagdad is gedaald. Belangrijker nog is dat de radicale shi’itische leider Moqtada al-Sadr onlangs liet weten dat hij met de regering van Maliki wil onderhandelen over een politiek akkoord. „Moqtada voelt de hete adem in zijn nek”, zegt Fallon. „Zijn aanhangers beginnen hun heil elders te zoeken.”

Duidelijk is dat succes in Irak veel meer een politiek dan een militair probleem is: het Iraakse centrum moet op de een of andere manier sterk en verenigd genoeg worden om de meedogenloze moordenaars van beide kanten de baas te zijn. Generaal David Petraeus, die de leiding heeft over de Amerikaanse troepen in Bagdad, verwoordt het probleem in een interview op zijn hoofdkwartier als volgt: „Hoe lang duurt een verzoeningsproces? Dat is de hamvraag.”

„We zijn bezig het probleem stapje voor stapje op te lossen”, zegt Fallon aan boord van zijn C-17 transporttoestel op weg uit Irak. „Maar daar we hebben we eigenlijk de tijd niet voor.” Met andere Amerikaanse legerleiders hoopt hij dat een dialoog met Iran en Syrië Irak kan helpen stabiliseren. „Een verzoening is onwaarschijnlijk in de tijd die ons nog rest”, zegt Fallon, „maar een of andere vorm van een vergelijk is een must.”

© Washington Post Writers Group