Puerto ligt aan het eind van een lange, lange weg

Brigida leidt haar leventje, haar pseudo-ouders hebben er weinig invloed op.

Brigida. Ze ziet er stralend uit in haar kleurige blouse, met oorbellen van kokosnoot. „En je hebt een baan!”, zeg ik goedkeurend. Aan de wand hangt het menu van het cafeetje. Verse sappen, bier en eenvoudige maaltijden met kip of varkensvlees zijn er te krijgen. Brigida is de serveerster. Door een luik zie ik de kokkin, ook een jonge Miskito-indiaanse.

Ik herinner me nog precies het moment waarop Brigida in mijn leven kwam. Wayne en ik woonden sinds kort in dit afgelegen Nicaraguaanse stadje aan de Caraïbische zee, Puerto Cabezas. Er werd op het hek geklopt, de honden sloegen aan. Vanaf het balkon zag ik een meisje dat gekleed was in een stukgewassen, kleurige jurk. Toen ik de poort opende, verklaarde ze: „Ik kom de afwas doen”, en liep door naar de keuken. Tien was ze. De volgende dag kwam ze weer. Na een paar weken trok ze bij ons in. We deden haar op school bij de nonnen van Santa Ines aan het einde van de straat. Haar moeder en haar grootmoeder vonden het best. Die woonden met twee ooms van Brigida en een stel kinderen in een piepklein houten krotje vlakbij de luchthaven.

Na een paar jaar keerden we terug naar Nederland, Brigida kon niet mee. We gaven haar twee ooms een lading hout waarmee ze een nieuw huis bouwden. Er was een Nederlandse ontwikkelingswerkster in het stadje neergestreken die een oogje op haar zou houden.

Brigida was zestien toen ze zwanger werd, alle voorlichting ten spijt. De vader, een buurjongen, beloofde een dozijn luiers, maar toen het kind volgens hem niet op hem leek, zag hij zelfs daar van af.

Dylan is nu bijna vijf. Hij drinkt vruchtensap met een rietje. „Kijk”, zegt hij en spert zijn mond wijd open. Er is een kies getrokken, zijn hele melkgebit is zwaar aangetast. „Hij eet veel te veel snoep”, zeg ik. Brigida doet alsof ze het niet hoort.

Vanochtend hebben we een nieuw bed uitgezocht. Dat is onze bijdrage aan haar nieuwe leven. Kortgeleden heeft ze het huis van haar familie verlaten na een conflict met een van haar ooms. Nu huurt ze een kamertje achter in iemands tuin. We kochten het bed in de nieuwe, helverlichte winkel van La Curaçao, een Nederlandse keten, en de enige zaak in het stadje waar, naast bedden, televisies, stereo-installaties en fornuizen op krediet te krijgen zijn. „Maar als je het in achttien maanden afbetaalt, komt het twee keer zo duur uit”, rekende ik Brigida voor. Ze knikte. „Het is beter eerst zelf te sparen”, zei ze braaf, maar we wisten allebei dat zij nooit iets in deze winkel contant zou afrekenen. „Hebben ze het bed al bezorgd?”, vraag ik. „Dat doen ze pas ’s avonds als het donker is”, zei Brigida, „want de nieuwe burgemeesteres heft belasting op alle aankopen die door La Curaçao worden afgeleverd. Ze beginnen pas te rijden als het gemeentehuis dicht is.”

We wachten voor de deur van haar kamertje, onder een cashewboom. Alejandro verschijnt, Brigida’s vriendje sinds ruim een jaar. Verlegen en stil komt hij bij ons zitten. Als pseudo-ouders kunnen we niet anders dan ingenomen met hem zijn. Hij kocht een kooktoestel voor Brigida en een gasfles zodat ze nu eten kan maken in haar kamertje. Morgen zal hij vertrekken op het schip van zijn vader, om te gaan vissen.

Brigida maakt koffie. „Ik heb een maand vrijgenomen van mijn werk”, zegt ze. „Hoe dat zo?”, vragen wij. „Omdat jullie er zijn”, lacht ze lief. „Wij blijven maar een week”, zeg ik verschrikt, want dat baantje was een geschenk uit de hemel geweest. De eigenaresse van het restaurant is een Nederlandse vrouw die kort geleden in Puerto is komen wonen. Brigida kan op haar bouwen en veel van haar leren. „Maar de manager is een vervelende kerel”, brengt Brigida daar tegen in. Moeten we daaruit opmaken dat ze eigenlijk ontslag heeft genomen? En dat terwijl er in het stadje geen ander werk te vinden is? „Je bent nog geen twee maanden geleden begonnen”, zeg ik. Ik klink machteloos in de tropische nacht. In de tuin van het buurhuis staat een vrachtwagen die nooit meer rijden zal. De wielloze assen steken in de lucht, de motorkap staat wijd open als de bek van een stervend dier. Puerto ligt aan het eind van een lange, lange weg, realiseer ik me. Het bed wordt die avond niet bezorgd. „Morgen misschien”, veronderstelt Brigida.

Een paar dagen later is Wayne jarig en geven we een feestje in een schuur van varkensslager Gaston. Brigida en Dylan komen met een prachtig ingepakt cadeau. Een beeldje van Maria. In haar armen houdt ze haar zoontje, dat te groot en te zwaar voor haar is. Maria lijkt nog maar een kind. Om haar te helpen haar last te torsen heeft de kunstenaar haar vier met goud besprenkelde vleugels gegeven. Brigida lacht trots. Ze is het zelf natuurlijk.