Pol Pot brengt geluk

Cambodja heeft het bloedige verleden niet verwerkt: dat verleden is simpelweg onbekend. Binnenkort worden de eerste verdachten van de massamoord van dertig jaar geleden berecht. Intussen wordt gewerkt aan ‘verantwoord genocidetoerisme’.

Het graf van Pol Pot, even buiten Anlong Veng, vlakbij de grens tussen Thailand en Cambodja. Ervoor staat op een houten standaard een klein boeddhistisch tempeltje Foto AFP The grave with the cremated remains of Khmer Rouge tyrant Pol Pot, in Anlong Veng, about 450 kilometres (280 miles) north of Phnom Penh, 03 April 2005. Anlong Veng was the final stronghold of the Khmer Rouge, which seized power 30 years ago. Tourism officials have a masterplan to turn the district, also home to Pol Pot and other former leaders' dwellings, into a tourist attraction. AFP PHOTO/ Stuart McDonald AFP

Thaise mensen van net over de grens komen in het weekeinde luisteren aan het graf van Pol Pot. Ze willen de goede loterijnummers horen. Zo ging het al direct na zijn dood. Niet dat de bezoekers iets met Pol Pot hebben. Pol Pot brengt geluk. Als prinses Diana of Elvis er had gelegen, was het ook goed geweest. Als het maar een grootheid is. En dat is Pol Pot.

Hij ligt nog net in Cambodja, even buiten Anlong Veng, zo’n driehonderd meter van de Thaise grens. Onder een paar verroeste golfplaten, achter een klein, gammel houten hekje. Er brandt een kaars en er is net wat cake voor de dode gebracht. Een paar meter verderop staat op een houten standaard een klein boeddhistisch tempeltje, ter nagedachtenis van een man die iedereen die maar leek op een boeddhist liet afmaken. En trouwens ook iedereen die gokte.

„Houd deze historische plek schoon”, zegt een bord van het Cambodjaanse ministerie van Toerisme. Verdere toelichting ontbreekt.

In 1998 overleed hij, 73 jaar oud. Zijn stoffelijk overschot ging op een stapel oude autobanden; wat er na de crematie overbleef, ligt nu hier, ver van de bewoonde wereld, in dit laatste bolwerk waar Rode Khmers zich hadden verschanst.

Even voorbij het graf staan een stuk of twintig nieuwe souvenirkramen, kinderen vermaken zich in de modder. Daar net achter steken rode stokken in de grond en zijn acht soldaten in dikke pakken met detectors aan het zoeken naar landmijnen. Dat houdt nooit op.

Weer een stukje verderop staat het huisje van een andere massamoordenaar, Ta Mok, die vorig jaar – tachtig jaar oud – overleed. Weer en wind hebben er vrij spel, te zien is ook hier niets. De huidige militaire commandant heeft naast het huisje een restaurant met een aantal gastenverblijven geopend en overdekte picknick-terrassen. Een lucratieve nevenactiviteit, want het loopt goed, „vooral in het weekend”. Een stukje verderop zijn bomen gekapt. De planning voorziet in een casino. Want Pol Pot brengt geluk.

Vier oudere mensen hangen hier al bijna een jaar doelloos rond, als honden die hun baas kwijt zijn. Stafpersoneel van Ta Mok. „We respecteren hem, we houden van hem”, zegt er een. De andere drie knikken instemmend. Wat verderop woont Not Nuin (55). Hij was Ta Moks persoonlijk adjudant, diende twintig jaar in het leger van de Rode Khmers. „Ta Mok was een heel goed man, hij zorgde voor een school hier, voor een ziekenhuis, voor een zaagmolen. En er was geen prostitutie, mensen gingen netjes met elkaar om.” Ervaring met Pol Pot heeft Not Nuin ook, want hij zegt: „Broer Een was ook aardig, maar hij was sterker, en hij kon enorm geprikkeld zijn.” Not Nuin en zijn vrouw zijn in 1998 weer gewone burgers geworden, „geïntegreerd”, zoals dat heet. Pol Pot stierf, Anlong Veng gaf zich over en er kwam definitief een einde aan de burgeroorlog in Cambodja.

Not Nuin en zijn 49-jarige vrouw Nop Thon drijven nu een kruidenierswinkeltje en verkopen flesjes benzine langs de weg. Hij is zelfs wijkhoofd, er hangt een groot affiche van de regerende Cambodjaanse Volkspartij aan de gevel van zijn winkeltje. Not Nuin en zijn vrouw verstaan de nieuwe tijd en hebben hun draai gevonden. Nop Thon: „Het waren gelukkige jaren en we hadden voldoende te eten. Maar het leven is nu wel wat gemakkelijker dan toen.”

Er komt iemand bij staan die zich voorzichtig in het gesprek mengt. Hij vertelt hoe een schoolkameraad Rode Khmer-brigadier was geworden en op zekere dag naar huis was gekomen en pardoes zijn bloedeigen vader en moeder voor hun huisje doodschoot. „Deze schoolkameraad handelde volgens de regels van Pol Pot, die zei dat een echte Rode Khmer elke gelovige moest uitroeien, ook zijn eigen ouders.”

Ja, ja, zegt Not Nuin: „Broer Een glimlachte altijd vriendelijk, maar achter zijn glimlach zat soms veel woede.” Met deze woorden eindigt de korte discussie en begint een vriendelijk zwijgen.

In amper vier jaar, tussen 1975 en 1979, vermoordde het huiveringwekkende regime van Pol Pot volgens de laagste schatting 1,7 miljoen mensen. Dat was bijna een kwart van de bevolking van Cambodja. Zo werd de communistische dictator in het laatste kwart van de vorige eeuw het levende bewijs dat het na Hitler, Stalin en Mao altijd weer kan gebeuren: genocide door een ideologisch bewind, terreur om terreur. Binnenkort staan enkele daders na dertig jaar eindelijk voor hun rechters, maar het land ligt er niet wakker van. Verdrongen is het verleden niet, verwerkt evenmin – het verleden is vooral onbekend. In een land waar de gemiddelde leeftijd even boven de twintig jaar ligt, is dertig jaar een eeuwigheid. En in een land waarvan het merendeel van de bevolking straatarm is en eenderde niet kan lezen, is de genocide ook een onderwerp voor „mensen met auto’s uit de grote stad”, zoals een boer het formuleert.

In 1979 maakte het communistische buurland Vietnam met een militaire invasie een eind aan het bewind van de Rode Khmers, die uitweken naar het noorden. Aandacht voor de gruwelen was er niet. Eerst woedde er een burgeroorlog. De Rode Khmers kregen steun van China. Later zaten ze aan tafel met de nieuwe Cambodjaanse machthebbers, nog weer later stond een grootscheepse aanklacht over begane schanddaden haaks op het voornemen van verzoening. Stilzwijgen lag voor de hand.

Pas in de loop van de jaren negentig kwam de kentering. De Rode Khmer werd verboden, het buitenland begon zich te roeren en de Cambodjanen zelf ook. Bijvoorbeeld Youk Cchang, nu 46 jaar.

Zijn vader sneuvelde toen hij nog een kind was. Een zus werd door Rode Khmer-brigadisten vermoord in een kamp van dwangarbeiders. Ze was ervan beschuldigd rijst te hebben gestolen en om dat aan te tonen sneden twee soldaten haar maag open. Youk overleefde en vluchtte meteen na het vertrek van de Rode Khmers uit Phnom Penh, in 1979, naar Amerika. Hij studeerde er, trouwde met een Amerikaanse en kwam uiteindelijk met financiële steun van Yale University terug naar zijn stad en begon het Documentatiecentrum van Cambodja.

Aan de Sihanouk Boulevard, waarvan het weidse karakter en de mediterrane villa’s aan het Franse verleden van Phnom Penh herinneren, zetelt Youk Cchang nu als directeur van het centrum. De ontmoeting bestaat deels uit een klimpartij over ordners en stapels papier, die ter voorbereiding van het grote, internationale Rode Khmertribunaal door aanklagers uit de kasten zijn gehaald. Met zijn staf heeft Youk Cchang inmiddels 600.000 pagina’s documentatie verzameld, 6.000 foto’s, 200 films. Ze hebben 20.000 massagraven getraceerd en 189 gevangenissen en er liggen geluidsbanden van 4.000 interviews met kaderleden van de Rode Khmer.

Youk: „Jaren heb ik er wakker van gelegen, mijn halve familie is uitgemoord. Als student in Texas was ik al met deze volkerenmoord bezig. Ik organiseerde zelfs een betoging om de schuldigen te straffen. Er kwamen in Dallas zegge en schrijve drie betogers opdagen. Met twee van hen heb ik nog contact.

„Nu doe ik het voor mijn moeder. Ze woont hier bij ons, maar ze praat nooit over die tijd, ze is 74, een eenvoudige dochter van het platteland die lezen noch schrijven kan. Ik beschouw dit als een roeping, als plicht jegens een opgejaagd slachtoffer.”

Zijn instituut is bezig met een volgende fase. Er moet een permanent instituut komen voor studie naar de genocide. En, met gebruikmaking van het mondiale symbool van totalitarisme en onschuld, Anne Frank, werkt hij met zijn medewerkers aan een programma voor de scholen in Cambodja. Anne Frank is vertaald en er is nu ook het boek van het Cambodjaanse meisje Loung Ung onder de titel: ‘Eerst vermoordden ze mijn vader’.

Te lang heeft Cambodja zijn verleden genegeerd. Youk: „Alle overheidsfunctionarissen waren in het Oostblok opgeleid, ze zagen geschiedenis als een instrument van propaganda, ze wisten niet welk ander doel geschiedenis kan dienen. We ontwikkelen nu voorstellen voor onderricht over onze eigen volkerenmoord.”

Wie schoolboekjes van de lagere school doorbladert, kan lang zoeken naar een passage over de tijd van Pol Pot. Een editie van tien jaar geleden had er een drieregelige alinea over, die niet verder kwam dan de constatering dat de tijden bar waren geweest. En wie een nieuw schoolboek voor de lagere school bekijkt, treft helemaal niets meer aan. Maar dat gaat, zo is Youk Cchang beloofd, veranderen.

Verder denkt hij mee met het ministerie van Toerisme over „verantwoord genocidetoerisme”. Want er is een Toul Sleng-museum voor volkerenmoord midden in de stad, in de beruchte school waar vroeger gemarteld werd; de even beruchte ‘killing fields’ liggen een kilometer of twintig buiten de stad. Daaromheen zijn restaurants te vinden en kitscherige souvenirs en andere smakeloosheden. Zoek de middenweg: wat doet men eigenlijk met het graf van een gruwelijke dictator?

Toerisme is een enorme groeisector; vorig jaar kwam er met 1,7 miljoen bezoekers weer twintig procent meer dan het jaar tevoren. Ze zijn goed voor 1,4 miljard dollar aan inkomsten, twaalfprocent van het bruto nationaal product. Die toeristen gaan weliswaar eerst en vooral naar de sprookjesachtig mooie tempelcomplexen van Angkor Wat, maar de ‘killing fields’ spreken eveneens tot de verbeelding en de weg erheen is nu bijna helemaal verbreed en verhard. Een Japanse firma heeft de aanbesteding binnengehaald om de ‘killing fields’ toeristisch tiptop te maken.

Niet ver van het vliegveld van de hoofdstad moeten binnenkort de zogeheten Extraordinary Chambers in the Courts of Cambodia met de processen beginnen tegen „de verantwoordelijkste en hoogst geplaatste leiders” van het schrikbewind. De verwachting is dat hooguit een stuk of tien uiteindelijk zullen terechtstaan. Velen zijn dood, anderen te ziek en te oud. De aangeklaagden lopen tot nu toe vrij rond, zijn het land niet ontvlucht en zeggen graag voor een rechtbank uit te leggen hoe het zat.

De voorbereidingen hebben eindeloos lang geduurd, want het is een hybride hof, met Cambodjaanse en internationale rechters, en de procedures zijn ingewikkeld door de niet aflatende behoefte van de Cambodjaanse regering om de zaak onder controle te houden. Laatst nog dreigden de buitenlanders te vertrekken omdat de lokale orde van advocaten absurde bedragen in rekening bracht voor de registratie van buitenlandse verdedigers. Drie maanden duurde de impasse, uiteindelijk boog de Cambodjaanse orde.

Tussen Cambodjanen en buitenlanders schuurde het tijdens de voorbereidingen voor dit proces voortdurend. De Amerikanen ontwaarden zoveel manipulatie van de slechts matig democratische regering van Cambodja, dat ze weigerden eraan mee te betalen. In de woorden van de huidige Amerikaanse ambassadeur Joe Mussomeli: „Liever geen proces dan een farce.”

Premier Hun Sen (56) diende zelf nog als gardist in de Rode Khmer, maar hij vluchtte op een goed moment naar Vietnam en voerde later strijd tegen zijn ex-kameraden. Veel anderen dienden net als hij Pol Pot op enigerlei manier.

De premier wil de boel nu vooral bij elkaar houden. Processen zonder controle zijn geen gewoonte in Cambodja en er heerst grote angst voor ontwikkelingen waar de regering geen greep meer op heeft. Bij monde van de struise ex-communiste van Australische komaf Helen Jarvis, tijdelijk in dienst van de premier, zegt de Cambodjaanse regering het zo: „Veel Rode Khmers zijn in de laatste dertig jaar met hun gezinnen naar hun dorp teruggekeerd, ze zijn succesvol geïntegreerd, daar is een functionerende samenleving ontstaan en dat willen we zo houden.”

In het auditorium waar het proces later dit jaar moet plaatshebben, zitten veertig leerlingen tussen de zeventien en twintig jaar oud. Voor hen staat een Britse advocaat, hooguit tien jaar ouder, in loshangend poloshirt en jeans. De leerlingen hebben zich voorbereid, een meisje vraagt: „Waarom zijn er buitenlanders bij dit proces betrokken, kan Cambodja het niet alleen af?”

De jonge advocaat antwoordt – via een tolk – eerst steeds met: „Dit is een heel goede vraag” en steekt dan van wal. „Dit is een heel goede vraag. Cambodja heeft pas sinds kort een juridisch systeem, uw land kende tot voor kort niet eens advocaten. Veel Cambodjanen vertrouwen hun eigen rechters niet en denken dat die corrupt zijn. Bovendien is massamoord zoals die hier plaatshad, genocide, tegenwoordig een internationale misdaad.” Met de projector tovert hij beelden van het Joegoslavië-tribunaal tevoorschijn, ter ondersteuning van zijn betoog.

Een tweede leerling vraagt waarom de aangeklaagden een verdediger nodig hebben: „We weten toch allemaal wat ze gedaan hebben?”

De Brit: „Dit is een heel goede vraag. Een eerlijk proces betekent dat de verdachte zijn zaak zo goed mogelijk kan bepleiten.” De leerling bedankt keurig, vouwt de handen, maakt een kleine buiging en wenst de Brit „wijsheid en geluk”.

Honderd kilometer zuidelijker ligt het dorpje Traipang. Het is eigenlijk een gehucht en van de Chambers in the Courts heeft niemand hier ooit gehoord. Maar er heerst grote opwinding. Een paar Vietnamese militairen waren met een metaaldetector gekomen om te zoeken naar stoffelijke resten van landgenoten die in de oorlog tegen de Rode Khmers zouden zijn gesneuveld. Ze vonden gebeente, maar die bleken niet toe te behoren aan Vietnamezen maar aan Cambodjanen. De Vietnamezen maakten rechtsomkeert.

Nu zijn er in het dorp meer dan honderd mensen met schoppen in de weer. De wijze waarop ze tekeergaan tussen beenderen en flarden textiel duidt in niets op piëteit ten aanzien van een aan de vergetelheid ontrukt massagraf van dierbaren.

Dat klopt. Naar resten van geliefde slachtoffers zoeken ze niet. Ze zoeken goud: tanden, ringen, dergelijks. Politiechef Nak Dy, die het gevoel heeft dat dit niet helemaal in de haak is, staat machteloos. Ze vinden niets dan beenderen en kleren. Maar laat nou de 42-jarige boer Duk Veth na drie dagen zweten breed lachend met twee gouden oorbellen uit een kuil tevoorschijn komen: „Vandaag heb ik mijn grote geluk.”