‘Niet de gijzeling is beladen, maar het zwijgen erover’

‘De laatste weken ben ik vaak weer erg boos. Niet op die Molukse jongens, tegenover hen heb ik nooit wrok gevoeld. Ik ben boos op al diegenen die het liefst hebben dat we ook nu nog onze mond houden over wat er dertig jaar geleden gebeurd is. Mensen die zeggen dat wij de Molukse gemeenschap te schande maken, terwijl dat absoluut niet onze bedoeling is. De burgemeester, die een herinneringsteken niet ziet zitten omdat er geen ‘draagvlak’ voor zou zijn. Alsof die 105 kinderen en vijf onderwijzers destijds zelf om die gijzeling gevraagd hebben.

In mijn herinnering was ik de eerste die ze zag aankomen die maandagochtend, 23 mei 1977. Ik zat met mijn rug naar het raam en draaide me toevallig om. Ze liepen het schoolplein op, vier Molukse jongens met lange leren jassen en plastic tassen in de hand. Daar was niets raars aan, de school stond vlak bij de Molukse wijk van Bovensmilde. De juf van de eerste klas, zo hoorde ik pas geleden, had zelfs toen ze het lokaal binnenkwamen nog niets in de gaten. Bij ons was het anders, daar kreeg de onderwijzer meteen een pistool tegen zijn hoofd. Dat laatste hebben anderen me verteld, ik kan het me zelf niet meer voor de geest halen. Dikke Willem, de leider, zei dat we moesten meekomen naar de aula. Behalve de Molukse kinderen – die werden naar huis gestuurd – dreven ze iedereen daar samen. Ik was niet in paniek, helemaal niet, ik heb iets geroepen als ‘joh, dit is een film, dit wordt allemaal opgenomen!’

Al die tijd – de gijzeling van de kinderen heeft vijf dagen geduurd – ben ik niet bang geweest. Maar ik heb me wel heel erg alleen gevoeld. Letterlijk, alsof ik het helemaal alleen beleefde. Al kan ik me toch ook wel herinneren dat ik lol maakte met mijn klasgenootjes, ’s avonds als we moesten slapen. En pas schoot me weer te binnen dat ik een paar van de jongste kinderen heb zitten natekenen. Maar voor mijn broertje van acht, hij zat in de tweede klas, heb ik geen enkele aandacht gehad. Alsof ik compleet vergeten was dat hij bestond. Dat vind ik achteraf een van de ergste dingen.

Het is vreemd om erover te praten, want als kind van nog geen elf beleef je alles heel anders dan als je er als volwassene op terugkijkt. Op woensdagmiddag zou het ultimatum van de gijzelnemers aflopen. Ze dreigden een handgranaat tussen de kinderen te gooien als niet aan hun eisen werd voldaan. Wat wij gelukkig niet wisten. Om die eisen kracht bij te zetten, moesten de oudste kinderen voor een open raam gaan staan en roepen: ‘Van Agt, wij willen leven!’ Ik had er geen enkele moeite mee om dat te doen. We hadden geen idee wat we zeiden, ik vraag me zelfs af of ik wist dat Van Agt minister was. Het enige dat ik dacht was: ‘Ha, het raam mag open!’ Maar als ik er nu aan terugdenk, lopen de rillingen me over de rug. Stel je voor hoe dat geroep geklonken heeft in een doodstil dorp.

Op donderdag werden heel veel kinderen ziek. Een virusbesmetting. Zelf was ik ook doodziek, het lokaal van de zesde klas fungeerde als ziekenboeg. Ik weet nog dat ik uit de wc kwam en dat Isaac daar stond, een van de gijzelnemers. Hij vroeg aan me hoe het ging en hoe vaak ik had overgegeven. ‘Drieëntwintig keer of zo’, hoorde ik mezelf zeggen. Ik zag dat hij schrok. Die aandacht van hem deed me goed. Al heeft Simon van Beetz, onze meester, geweldig goed voor me gezorgd. Voor alle kinderen ongetwijfeld, maar voor mijn gevoel bekommerde hij zich alleen om mij. Hij heeft het voor elkaar gekregen dat ik vrijdagochtend vlak na vieren weg kon met de ambulance, als een van de eersten. In de loop van die dag, vrijdag 27 mei, kwamen alle kinderen vrij. De onderwijzers hebben nog tot 11 juni in de school vastgezeten. Het leger kwam met tanks en ramde de voorgevel. Toen hebben de Molukkers zich overgegeven.

Een paar maanden geleden heb ik met een paar anderen een lotgenotengroep opgericht. We blijken van dezelfde dingen last te hebben. Opeens wist ik: dáárom ga ik niet graag naar de bioscoop! Als er iemand naast me zit te hoesten, wil ik hem wel zijn nek omdraaien. We hebben dagen op elkaars lip gezeten daar. Blèrende kinderen, daar kan ik ook niet tegen. Want het was natuurlijk een en al gejank in die aula.

Op internet hebben we contact met elkaar, via de website www.deschoolvanbovensmilde.nl, en er zijn inmiddels twee bijeenkomsten geweest. Natuurlijk komen daar niet de mensen op af die nergens last van hebben, maar toch ben ik ervan geschrokken hoeveel kinderen van toen nog steeds getraumatiseerd zijn. Er waren erbij die de hele middag alleen maar zaten te huilen, anderen hebben geen woord gezegd of zaten constant zenuwachtig met hun vingers te frummelen. Een van de oprichters van onze stichting is onlangs ingestort, we hebben haar voor behandeling aangemeld bij het centrum voor oorlogsslachtoffers in Utrecht. Vergeleken met sommige anderen ben ik al een eind op weg met de verwerking, realiseer ik me nu. In hoeverre acht jaar psychotherapie daaraan heeft bijgedragen is moeilijk te zeggen. Zoals ik ook niet weet wat voor iemand ik geworden zou zijn als ik niet gegijzeld was geweest.

Gelukkig heb ik geen last van haatgevoelens tegenover de mensen die ons gegijzeld hebben. Ik begrijp dat die Molukkers zich belazerd voelden. Ze zijn hier naar toegehaald door de Nederlandse regering, er is ze van alles beloofd, ze zouden op de Molukken hun eigen staat mogen stichten, maar daar is niets van terechtgekomen. In plaats daarvan zijn ze in kampen gestopt, zoals in Westerbork waar in de Tweede Wereldoorlog joden op transport gesteld werden. Hoe heeft de overheid dat in godsnaam kunnen doen? Op de begraafplaats in Hooghalen, daar vlakbij, kun je zien dat er in de jaren dat de Molukkers daar zaten heel veel kleine kinderen gestorven zijn. Het had te maken met de overtocht, die te zwaar was voor veel kinderen. Sommige andere gijzelingsslachtoffers denken dat ik de weg kwijt ben, denken dat ik lijd aan het Stockholmsyndroom of zo, maar het voelt zoveel prettiger om niet boos te zijn.

Tegelijk met de bezetting van onze school was er bij De Punt een trein gekaapt door diezelfde Molukse groepering. Bij de bevrijdingsactie drie weken later vielen acht doden. Een van de treinkapers van toen heeft pas geleden het initiatief genomen om ons uit te nodigen voor een gesprek met de Molukse gemeenschap. Die wilde graag van ons horen wat wij precies van plan waren met onze stichting. In het Dagblad van het Noorden was namelijk een heftige discussie losgebarsten tussen voor- en tegenstanders van een herdenkingsteken, en toen hebben we uitgelegd dat we op het veldje waar de school heeft gestaan graag een klein aandenken willen, een stoeptegel, of een bankje, of een speeltoestel met een plaquette. Niets groots, niets bijzonders. De reacties van de Molukkers waren ronduit positief.

Daarom begrijp ik niet dat de gemeente Midden-Drenthe, waar Bovensmilde onder valt, zo moeilijk doet over een herinneringsteken. Op ons verzoek is pas na een half jaar antwoord gekomen. En wat zei de gemeente? Dat we eerst maar zelf draagvlak moesten creëren in het dorp. Met andere woorden: ze hebben er geen trek in. Uit betrouwbare bronnen heb ik gehoord dat de burgemeester dat ook met zoveel woorden gezegd heeft, dat het voor hem allemaal niet hoeft. En hij is niet de enige, ook van anderen in het dorp krijgen we te horen: ‘Hebben jullie het nou nóg niet verwerkt?’ Ze zijn bang om de Molukse gemeenschap voor het hoofd te stoten, maar het enige wat we willen, is dat er na dertig jaar erkenning komt voor het feit dat het gebeurd is. Er is lang genoeg over gezwegen.

Op de dag dat wij, de kinderen, waren vrijgelaten, hadden onze ouders van hulpverleners de opdracht gekregen om zo luchtig mogelijk te doen over wat er gebeurd was, zodat we erop zouden terugkijken als op een mislukt schoolreisje. De volwassenen mochten er niet over praten met de kinderen, tenzij die er zelf over zouden beginnen. Maar wij zeiden er ook niets meer over, het leek een stilzwijgende afspraak om je mond te houden. Met Trea, die in de zesde klas mijn beste vriendin werd, heb ik het nooit meer over de gijzeling gehad. Met Simon van Beetz, die ook na de zomervakantie weer onze meester werd, hebben we er in de klas geen woord meer over gewisseld. Het gevolg is, dat je op zeker moment gaat denken dat je gek bent, dat je het allemaal verzonnen hebt. Dat er helemaal geen gijzeling geweest is.

Als het in deze tijd gebeurd zou zijn, hadden hulpverleners, ouders en leerkrachten ons juist gestimuleerd om wél onze gevoelens te uiten. Dan hadden ze ons de kans gegeven om onze ervaringen op een kinderlijke manier te verwerken. Door te tekenen, door er veel over te praten. Maar de tijdgeest in de jaren zeventig was anders. Er was wel nazorg, weet ik nu, de halve Leidse vakgroep psychiatrie had het dorp overspoeld. Alleen meldde niemand zich bij hen. Op zeker moment zijn ze zelfs gaan aanbellen bij de mensen, maar dan werd de deur dichtgedonderd. Die stugge noorderlingen dachten: wat moeten we met die mensen? Mijn ouders hebben, toen ik in het schooljaar na de gijzeling onhandelbaar werd, wel hulp gezocht. Maar die mevrouw van de Riagg ging graven in mijn vroegste jeugd, terwijl het duidelijk was dat ik last had van de gijzeling. Rond mijn zeventiende kreeg ik nachtmerries over de gijzeling. Ik ging daarmee naar de huisarts, maar die wimpelde me af. Pas een paar jaar later heb ik voor het eerst min of meer adequate hulp gekregen.

Nog steeds voel ik me in de steek gelaten, nu door de overheid. Bovensmilde is een beladen dorp, niet door de gijzeling van 1977, maar door het zwijgen erover. Vandaar die behoefte van ons, de kinderen van toen, aan een herinneringsteken, als een tastbaar bewijs dat het echt gebeurd is.”

Opgetekend door Brigit Kooijman