Marathonmassatoerisme

Wat is het – eerzucht, bewijsdrift, zelfkastijding, gezondheidsmanie, vermageringsdrang? Hoe dan ook, Pieter Steinz verzamelt marathons. Dit weekend vinkt hij er weer een af: de avondmarathon van Luxemburg

Als u dit leest, sta ik op het punt te beginnen aan de Europe-Marathon, beter bekend als de Night Run van Luxemburg-Stad. Met nachtelijk rennen heeft deze 42-kilometerrace weinig te maken, want het startschot klinkt om zes uur ’s avonds, en het moet wel heel vreemd lopen wil je niet vóór twaalven binnen zijn. Maar iedere marathon heeft iets nodig om zich te onderscheiden van de honderden andere, en die van de Europese Cultuurhoofdstad 2007 gooit het op ‘de avondschemering in de nauwe straatjes van het historisch stadscentrum.’

Dat klinkt niet heel spectaculair voor de ervaren marathonreiziger. Die loopt pas echt warm voor een rondje Antarctica, de beklimming van de Chinese Muur, de Two Oceans Race bij Kaapstad, de Inca Trail in Cuzco, of de Reggaemarathon op Jamaica. Of anders op z’n minst voor een marathon in een van de hotspots van het wereldtoerisme: New York, Londen, Parijs, München; Beachy Head, Loch Ness, de wijngaarden van de Bourgogne en de Elzas; de Dode Zee, Niagara Falls, de Gobi-woestijn, de Grand Canyon. Weinig plaatsen op de wereld zijn nog niet door de marathontouroperators ontgonnen; het zal niet lang duren of het in gifkleurtjes gestoken rennersgilde loopt zijn Asics en Mizuno’s stuk in de jungle van Irian Jaya of de permafrost van de Kolyma.

Het marathonmassatoerisme is de onvermijdelijke consequentie van een sport die als geen andere groeit. In elk geval in Nederland, dat volgens een recent onderzoek van de Atletiekunie een markt heeft van zeven miljoen potentiële lopers. Verbazingwekkend voor een land waar het volgens de schrijvers van een onlangs verschenen ‘standaardwerk voor beginnende en gevorderde lopers’ (Loop!) nog geen 25 jaar geleden ‘tamelijk idioot [was] om in je vrije tijd te gaan hardlopen.’ Een land waar, zoals Abdelkader Benali beschrijft in zijn laatste boek, veel mensen nog steeds denken dat hardlopen iets is voor zielige mensen: ‘Dat gesjok van die sukkelaars, met de moed der wanhoop hollend tegen het overgewicht, gehuld in ridicule, smakeloze outfits of in zo’n veel te kort kinderlokkersbroekje. En als je ze dan op de fiets passeert, kun je ze op tien meter afstand ruiken.’

SCHRIJVENDE HARDLOPERS

Wat de marathonloper drijft – eerzucht, bewijsdrift, zelfkastijding, gezondheidsmanie, vermageringsdrang – is de afgelopen jaren in kaart gebracht door vele auteurs, van oud-minister Pieter Winsemius (Ik wou dat ik uw benen had) tot psychiater Bram Bakker (De halve van Egmond), en van cabaretier Dolf Jansen (Een stopnaald in maillot) tot thrillerschrijver Jac Toes (Fotofinish). En dan vergeten we nog het literaire hardlooptijdschrift 42, waarvan vorige maand het vijfde nummer verscheen, alsmede de non-fictie boeken van Dirk van Weelden en Abdelkader Benali, die onlangs tegelijkertijd over hun loopervaringen publiceerden. Benali, die overigens bezwaar aantekent tegen de benaming schrijvende hardloper (‘Ik ben een schrijver. En ik ben hardloper. Ik ben het nooit alle twee tegelijk’), analyseert in Marathonloper de psychologie en de eenzaamheid van de langeafstandsrenner; Van Weelden bundelt in Tempo losse stukken over ‘landschappen, schoenen, helden, hartslagmeters’, zoals de ondertitel van zijn boek luidt.

Hoe verschillend de twee ook als schrijvers en lopers zijn – Van Weelden is de elegante filosoof, Benali de stoempende zwoeger – hun ambitie in het rennen komt opvallend overeen. ‘Ik wilde lichaamskunst scheppen’, schrijft Benali naar aanleiding van de eerste race van de Marokkaanse kampioen Saïd Aouita die hij op televisie zag; ‘Ik zag dat hardlopen ook een kunst kon zijn.’ En Van Weelden, die is beïnvloed door de jong gestorven Amerikaanse ‘loopsjamaan’ Steve Prefontaine, streeft in de eerste plaats naar esthetiek: ‘Ik loop om de zweefpas zelf, om hardlopend in beweging te zijn […] niet als een raket of een pijl uit een boog, maar als een zeilbootje op een zomerdag.’

Grace under pressure, daar gaat het om bij een marathonloop. De term is van Ernest Hemingway, die redelijk sportief was zolang weerloze dieren zijn tegenstanders waren, maar die niet dood gevonden had willen worden in de buurt van een atletiekstadion. Hoe slecht de omstandigheden ook zijn (wind, regen, kou, hitte), en hoe onverdraaglijk de pijn in de laatste kilometers ook is (Benali kan daar overtuigend over schrijven), de Marathon Man of Woman recht de rug, houdt de armen in balans en rolt de beblaarde voeten zo zorgvuldig mogelijk af. Zijn of haar brandende verlangen om koste wat het kost de finish te halen is alleen vergelijkbaar met het fanatisme waarmee kapitein Ahab, de hoofdpersoon van Herman Melvilles Moby-Dick, achter de witte walvis aanjaagt. Zou het toeval zijn dat Moby-Dick tot de favoriete romans van Dirk van Weelden, en ook van ondergetekende, behoort?

We mogen dan weten wat de marathonloper drijft, wat bezielt de marathontoerist? Waarom investeert hij in een reis naar een verre en dure bestemming, waaraan hij op zijn best met een vaartje van tien kilometer per uur voorbijloopt?

FINISHEN BIJ HET COLOSSEUM

Variatie is natuurlijk het meest voor de hand liggende antwoord: wie een paar keer Rotterdam en Amsterdam heeft gelopen, en misschien ook wel eens een uitstapje heeft gemaakt naar de Midwintermarathon van Apeldoorn en de Midzomeravondmarathon van Diever, die wil zijn vleugels weleens uitslaan. Eerst naar Londen, Parijs en Berlijn, en daarna ook naar parcoursen die wat minder vlak en dus avontuurlijker zijn. New York City, met al zijn golvende straten, is dan de populairste keuze, maar alleen aan te raden voor de liefhebbers die niet opzien tegen de massaliteit van tienduizenden lopers en uren wachten in het startvak. Rome is een beter idee: starten op de Via dei Fori Imperiali, finishen bij het Colosseum, en daartussendoor lopen langs Piazza Navona, het Circus Maximus en de Sint-Paulsbasiliek. Of Athene, waar je min of meer de route loopt die de ijlbode Feidippides 2.500 jaar geleden aflegde om zijn stad het nieuws te brengen van de overwinning op de Perzen bij Marathon. Of Boedapest, waar Benali een paar jaar geleden zijn marathonvuurdoop onderging zonder dat hij zich er op had voorbereid.

Een andere drijfveer van de marathontoerist, en ik spreek nu uit ervaring, is verzamelwoede. Een dikke veertig kilometer lopen is een sport, maar een even grote sport is het starten op zoveel mogelijk verschillende plaatsen. Zoals ik in de jaren negentig probeerde om de circa veertig uitgezette NS-wandelingen (‘van station tot station’) af te vinken, zo streef ik ernaar om in het nieuwe millennium zoveel mogelijk kruisjes te kunnen zetten op de marathonkalender op internet. Ik kan nog even vooruit, want de kalender bevat zo’n 800 suggesties, en ik kan er ten hoogste drie per jaar opvolgen. En dan moet ik nog oppassen dat ik mijn voet niet verstuik op de Jungfrau of niet uitglij op hellingen van de Kilimanjaro.

SNELLER, ZWAARDER, MEER

Er is nog een derde reden voor het groeiende marathontoerisme, dat inmiddels big business is voor tientallen grote en kleine gespecialiseerde reisbureaus. Iedere loper voelt de drang om zichzelf een steeds zwaardere opgave te stellen. Dat kan natuurlijk door dezelfde marathon sneller te willen lopen; maar veel uitdagender is het om je in te schrijven voor een steeds zwaarder parcours. Als Eindhoven een eitje is, wordt het tijd voor de Monschau Marathon in de heuvels van de Eifel. Als je de kou van Groenland hebt getrotseerd kun je door naar hitte van Jamaica. En als je uiteindelijk de Desert Classic in Arizona en de Everest in Nepal met succes hebt gelopen, zijn er nog altijd de zogeheten ultralopen: de honderd mijl van Death Valley bijvoorbeeld, of de Spartathlon van Sparta naar Athene, of de Western States Endurance Run in Californië. Want, zoals Herman Melville verzuchtte toen hij de laatste punt achter Moby-Dick had gezet: ‘As long as we have anything more to do, we have done nothing... Leviathan is not the biggest fish – I have heard of Krakens.’

Abdelkader Benali: Marathonloper. Uitg. Sporthuis, 164 blz, €14,95.Gerard Nijboer en Kees Kooman: Loop! €24,95.Dirk van Weelden. Tempo. Augustus, 164 blz. €15,-