Lekker samen besturen

In plaats van aan de slag te gaan ging de nieuwe regering van premier Jan Peter Balkenende praten met de burgers. Honderd dagen lang. Tot ziens op Prinsjesdag.

Minister Ter Horst spreekt met medewerkers van het Rotterdams vervoersbedrijf Foto Bas Czerwinski 26-03-2007, ROTTERDAM. MINISTER TER HORST IN DE TRAM IN GESPREK MET MEDEWERKERS VAN DE RET. FOTO BAS CZERWINSKI Czerwinski, Bas

Het is een oude politieke wet. De eerste honderd dagen van een regering moet ‘het’ gebeuren. De piketpalen geslagen, de sfeer gezet, het beloofde beleid van de nieuwkomers zichtbaar voor de kiezers gemaakt. Het is een universele drang van politici.

In de Verenigde Staten sloot president Clinton in 1994 een honderd dagen beslaand ‘contract’ met de kiezer. De Duitse Bondskanselier Angela Merkel kondigde bij haar aantreden aan haar hervormingen binnen honderd dagen rond te hebben. De nieuwe Franse president Nicolas Sarkozy deed vorige week hetzelfde. Hij wil binnen honderd dagen de verzorgingsstaat reorganiseren, het ontslagrecht aanpassen, de werkloosheid bestrijden.

Die magische eerste honderd dagen: de verkiezingen zijn net achter de rug, de lucht zindert nog van de beloften, ambtenaren zijn nog naar de hand te zetten. Het is de ideale tijd voor harde beslissingen.

En wat doet het kabinet-Balkenende nummer vier?

Dat is in geen velden of wegen te bekennen, althans niet in Den Haag. Het praat, in het land, met burgers. Alsof het nog verkiezingstijd is, zijn ministers en staatssecretarissen uitgezwermd. Ze bezoeken probleemwijken, praten met het maatschappelijk middenveld, verkennen hun beleidsterrein. In plaats van de burger te vertellen wat die de komende jaren verwachten kan, vragen ze de ‘mensen in het land’ hoe die het gehad zouden willen hebben. Ze handelen niet, ze luisteren. In de woorden van VVD-leider Mark Rutte: ‘Als een onbeschreven blad met een carbonpapiertje erop’. Zegt u maar wat we doen moeten. Samen werken, samen leven, samen besturen.

Hoe het precies gegaan is weet niemand meer, duidelijk is dat op de avond van de presentatie van het nieuwe kabinet, op 22 februari, deze variant van honderd dagen geboren werd. Het ging bij benadering zo: de niet alleen kersverse, maar bestuurlijk ook onervaren minister Jacqueline Cramer (VROM, PvdA) vertrouwde een radiojournalist toe eerst eens haar oren en ogen de kost te zullen gaan geven. Al dan niet honderd dagen. De journalist zag er brood in. En vroeg ook aan andere ministers wat zij gingen doen, de eerste honderd dagen. Het nieuws vertelde zichzelf nog diezelfde avond rond, daar in de Rolzaal van het Ridderzaalcomplex aan het Binnenhof: het kabinet gaat honderd dagen praten met de bevolking. Enkele bewindslieden waren onaangenaam verrast door de honderd dagen. „Ze vonden het te kort om hun plannen op een rijtje te krijgen”, zegt een betrokkene.

Een voldongen feit. Jack de Vries, spindoctor en rechterhand van premier Balkenende, zag er geen been in. Officieel is hij namens Algemene Zaken belast met ‘de ambtelijke voorbereiding van het beleidsprogramma’ en ‘verantwoordelijk voor interdepartementaal overleg’, in de praktijk campagneleider. En daarmee verantwoordelijk voor de publicitaire verpakking van het honderd dagen-project.

Sinds De Vries begin april zijn nieuwe functie kreeg, is het kabinet op pad. In de bus, in de provincie, naar de probleemwijken die prachtwijken moeten worden, op zoek naar „draagvlak bij de daadkracht”. Er is een website (www.samenwerkenaannederland.nl), waarop individuele ministers weblogs bijhouden over hun ontmoetingen. De pers is beperkt welkom bij de vele contacten tussen de ministers en staatssecretarissen en de gewone burgers. De boodschap: dit kabinet luistert.

Minister André Rouvoet, voor Jeugd en Gezin, is de reislustigste van het stel. Hij haalde bij werkbezoeken, per bus, een paar keer Het Journaal. Hij liet zich bij zijn eerste bezoek, aan de binnenstad van Rotterdam, filmen. En hij kwam in beeld toen hij ging jumpen met kinderen in Den Haag.

„Ik vind het zó goed dat u ook met ons komt praten”, citeert zijn website (www.jeugdengezin.nl) een achtjarig jongetje tijdens een bezoek aan een school. Op zijn weblog houdt hij bij wat hij leert van de bezoeken. Nadat hij op 4 mei heeft gesurveilleerd met wijkagenten Harm en Siard door de Groningse binnenstad noteert hij: „Harm en Siard blijken (–) een fijne neus te hebben voor fietsendiefstal: als ze twee jonge jongens staande houden, blijkt de fiets van een van hen inderdaad als gestolen geregistreerd te staan. ‘Voor 10 euro gekocht van een junk’, is het verweer. Tja, dan had je het kunnen weten…”

„Het ziet er echt heel mooi, strak uit”, zegt Erik van Bruggen van ‘campagnebureau’ Booij, Klusman en Van Bruggen over de ministeriële bustournees. Van Bruggen was betrokken bij de verkiezingscampagne voor de PvdA en verzon in 2005 de bustour van toenmalig minister Thom de Graaf (D66), om het idee van de gekozen burgemeester aan de man te brengen.

Van Bruggen vindt het ‘slim’ van projectleider Jack de Vries dat ook hij de bus gebruikt als middel om te laten zien dat het kabinet ‘echt luistert’. „Het gaat in de politiek om woord en beeld”, zegt hij. „Zo’n bus heeft grote voordelen. Die komt ergens aan, rijdt door het land – allemaal mediagenieke momenten die zo het Journaal halen. En je kunt er als politicus je boodschap mee onderstrepen dat je de kiezer serieus neemt.”

Voor politicoloog Gerrit Voerman, directeur Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen, staan de bustochtjes door het land voor andere zaken. „Zo’n bustour toont twee dingen aan: partijen zijn niet langer de plek van debat. En partijen zien op tegen het maken van keuzes, omdat de ene keuze de andere uitsluit.” De opkomst van Pim Fortuyn heeft de partijen bovendien volgens Voerman onzeker gemaakt. „Het is vreemd: partijen vragen steun van de kiezer voor hun verkiezingsprogramma’s, en op basis daarvan wordt een regeerakkoord geschreven. En als dat klaar is, wil de politiek opnieuw van de kiezer weten wat er moet gebeuren. Het betekent dat je óf je werk niet goed hebt gedaan óf het nog een keer overdoet.”

Bekijkt Voerman de politieke stilte met distantie, in de Kamer klaagt de oppositie steen en been over het ‘rondreizend praatcircus’ (VVD-leider Mark Rutte). Geen regeringsbeleid, geen oppositie ten slotte. „Als oppositie kom je pas uit de verf als er een klankkast is waar je ideeën gehoor vinden. Die klankkast ontbreekt hier volledig”, zegt Rutte. „Het is nog erger: er is geen analyse over hoe het verder moet met Nederland. Er zijn geen oplossingen. Het is ondenkbaar dat de nieuwe Franse president honderd dagen het land intrekt en aan de burgers vraagt wat hij moet doen. Maar Sarkozy heeft dan ook een visie heeft, hij weet wat hij wil.”

Het is ‘angstaanjagend’ stil, vindt fractievoorzitter Alexander Pechtold van D66. De agenda van de Tweede Kamer wordt volgens hem al maanden bepaald door relletjes, hypes of ‘lopende zaken’. De Kamer debatteert over vrijzwevende kwesties als dubbele nationaliteit, of dierenleed, maar niet over nieuw beleid van Balkenende IV. Controlerende macht? Dan moet er wel iets te controleren zijn.

Pechtold: „Ik wil oppositie voeren. Ik wil slechte plannen van het kabinet kunnen doorprikken. Het CDA moet ontmaskerd worden als partij zonder visie, de PvdA als partij die steeds meer naar het CDA is toe gaan trekken. Maar dat kun je pas doen als er concrete plannen op tafel komen. Ik wil niet alleen debatteren over inkoppertjes en hypejes.”

Zelfs in de woorden van zijn collega Bas van der Vlies, leider van de loyale oppositiepartij SGP, begint de eerste twijfel door te klinken. Hij zegt: „Natuurlijk moet het kabinet de kans krijgen zich de eerste maanden te bezinnen en nieuw beleid uit te stippelen. Maar de lat ligt nu hoger. Ik verwacht nu wel dat ze met iets echt gezaghebbends komen.”

Zijn de honderd dagen al een steen des aanstoots, de politieke stilte duurt al veel langer. Sinds de val van het derde kabinet Balkenende, vlak voor de zomer van 2006, ligt het bestuur in Nederland nagenoeg stil. Het minderheidskabinet CDA-VVD dat tot aan de verkiezingen, in november, het land bestuurde, paste terughoudendheid gezien de geringe steun in de Kamer. Het diende een begroting in voor 2007 en dat was het.

Na de verkiezingen kwam Balkenendes vierde kabinet relatief snel tot stand. Drie maanden na de verkiezingen stond er een nieuwe ploeg bewindslieden klaar en lag er een regeerakkoord.

CDA, PvdA en ChristenUnie wilden een akkoord dat niet al te dik was, om daarna aan de bewindslieden zelf de ruimte te geven op hun deelterreinen de ‘beleidsprogramma’s’ in te vullen. Het akkoord, toch nog 54 pagina’s dik, geeft alleen antwoord op de vraag wat het nieuwe kabinet wil, niet hoe het dat denkt te bereiken. Maar dat regeerakkoord was nog niet af.

Er is bewust gekozen voor een regeerakkoord, waarin slechts ambities worden verwoord. De vraag hoe het uitgevoerd moet worden is onbeantwoord gelaten. Dat antwoord moet volgens het kabinet komen uit de dialoog met de samenleving.

Het vorige kabinet, dat veel grote structurele hervormingen wilde doorvoeren, had het volgens betrokkenen relatief gemakkelijk. Het ging om structuurwijzigingen die vastgelegd konden worden in wetten. Dit kabinet streeft naar ‘een cultuurverandering’, waarvoor de samenleving ‘mede verantwoordelijk is’. Daarvoor wordt het ‘zoeken naar draagvlak’ noodzakelijk geacht..

De honderd dagen duren niet honderd dagen. Ze duren twaalf dagen langer. De echte honderd dagen eindigen op 2 juni, maar het kabinet sluit ze pas op 14 juni af met de presentatie van een ‘beleidsprogramma’. „Dit kabinet telt de zondagen niet mee”, grapt Jack de Vries.

Honderd dagen is ‘één grote draagvlakmachine’

Aanstaande maandag sluit het kabinet zijn project publicitair af, met een televisie-uitzending vanuit de Utrechtse Jaarbeurs. Eenentwintig van de zesentwintig bewindslieden gaan daar wederom in gesprek met... burgers, zo’n 250 deze keer. Eerst losjes en spontaan, daarna worden de aanwezigen in zes groepen verdeeld, analoog aan de zes pijlers in het regeerakkoord.

Zo gaat premier Balkenende de dialoog aan over „de actieve en constructieve rol van Nederland in Europa en de wereld”. Minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) schuift aan bij gesprekken over „innovatieve en concurrerende economie”. Vijfenzeventig minuten later, het is dan half negen, zal Balkenende de aanwezigen toespreken in de vorm van een korte terugblik op de avond.

De avond is grotendeels geregeld door het team-honderd dagen van het kabinet. Want de 250 uitgenodigde burgers staan ergens voor: zij zijn bij een van de vele werkbezoeken opgevallen, zij vertegenwoordigen een bepaald deelbelang. Ze hebben zich via de hyves-websites van de bewindslieden gemeld. Ze staan, in de woorden van het kabinet, voor het draagvlak waarnaar de ministers en staatssecretarissen op zoek zijn. En voor het middenveld, dat nadrukkelijk bij de agenda voor de komende jaren betrokken wordt. Ze staan daarmee voor de toekomst van Nederland.

Doet deze ministersploeg nu iets heel anders dan voorgaande kabinetten? Eigenlijk hoort het bij de normale levenscyclus van Nederlandse kabinetten dat het eerste jaar heengaat met het formuleren van nieuw beleid. Dat wordt in het tweede jaar in wetsvoorstellen vastgelegd en ingediend, waarna de parlementaire afhandeling in het derde jaar plaatsvindt. Het vierde jaar, het verkiezingsjaar, staat bekend als ‘oogstjaar’. Het grote verschil is vooral dat Balkenende IV het project publicitair aangrijpt om zich als ‘bondgenoot van de burgers’ te positioneren.

Hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen, verbonden aan de Universiteit van Tilburg, noemt de tournee van het kabinet „een grote draagvlakmachine”. „Het is het aloude poldermodel, maar dan in een modern pr-jasje. Het kabinet doet wat eerdere kabinetten ook deden: praten met organisaties om draagvlak te krijgen voor lastige beslissingen.”

Daar is op zich niets mis mee, vindt Frissen. Maar het kabinet-Balkenende IV presenteert het heel anders. Dat zegt juist tijd nodig te hebben om tot ideeën te komen. Frissen: „Het kabinet wil de boodschap uitstralen: kijk, wij luisteren echt naar u. Het wil een antwoord bieden op het probleem van de dalende legitimiteit van de politiek. Maar na afloop van de honderd dagen komen ze met een uitgewerkt beleidsprogramma, waarin tot in detail geformuleerde plannen komen. Nu zijn wij aan de beurt, die sfeer.”

De tournee van het kabinet maakt dit volgens Frissen „juist erger”. „Ieder bezoek staan de organisaties weer in de rij, allemaal vol van de problemen die de politiek moet oplossen.” Angst om mensen teleur te stellen zal er volgens Frissen alleen maar toe leiden dat er veel méér beleid wordt gemaakt.

De vrees van Frissen lijkt gegrond. Begin deze week ontvingen de bewindslieden een brief van Wouter Bos, vice-premier en minister van Financiën. De boodschap: het gaat helemaal niet goed met de honderd-dagen-plannen. Alle ministers hebben druk met de burgers gepraat, maar ook druk plannen gemaakt. Het beleidsprogramma dreigt veel te dik te worden. Het telt nu nog 110 pagina’s met 137 doelstellingen.

Bos moet ingrijpen, hij is verantwoordelijk voor de verdeling van de zeven miljard euro nieuw beleid die dit kabinet tot 2011 heeft gereserveerd. Bos gaat nu op het geld letten en Balkenende – en namens hem Jack de Vries – let op de teksten. In totaal is in het beleidsprogramma ruimte voor dertig voorstellen.

Wie denkt dat bij de presentatie van het uiteindelijke programma op 14 juni in het Haagse Catshuis alles duidelijk zal zijn, komt bedrogen uit. De definitieve invulling van alle beleidsvoornemens plus de financiële uitwerking zullen pas met Prinsjesdag gepresenteerd worden. Geen honderd dagen dus, en ook geen honderdtwaalf, maar tweehonderdacht. Inclusief de zondagen.

Sommige bewindslieden hebben de afgelopen weken al de publiciteit gezocht met voorstellen in de hoop zo een plek af te dwingen in het beleidsprogramma. Zo legde minister Ab Klink (Volksgezondheid, CDA) zich al vast op het terugdringen van de medische missers en claimde staatssecretaris Ahmed Aboutaleb (Sociale Zaken, PvdA) extra geld voor de bijstand.

Tijdens de vergadering van de ministerraad werd de ‘dialoog met de samenleving’ woensdag alsnog een strijd om politieke belangen. De coördinerende ministers (die elk verantwoordelijk zijn voor een van de zes pijlers) voelen zich belangrijker dan hun collega’s, de ‘niet-pijler-ministers’.

Daarmee lijkt een structureel probleem te zijn blootgelegd in het kabinet: de ene minister is meer gelijk dan de andere. Luisteren naar de burger is op zich een lovenswaardig streven, maar als dat ten koste gaat van de eigen macht, zijn er maar weinig bewindslieden bereid echt over ontkokering en vernieuwende oplossingen na te denken. Wat de burger daar ook van vindt.