Lange vakanties

Enige tijd geleden schreef ik over de vakanties van leraren. De teneur: leraren moeten niet doen alsof ze die hard nodig hebben om het oude schooljaar af te wikkelen en het nieuwe voor te bereiden. Zo’n rechtvaardiging is nergens voor nodig. Erken gewoon dat dit een van de prettige kanten is van het leraarsberoep.

De reacties hierop waren tweeërlei. Leraren toonden zich bang dat aan hun vakanties zou worden getornd en kwamen met argumenten waarom dat niet redelijk zou zijn. Mensen van buiten het onderwijs wilden juist dat de riante arbeidsvoorwaarden van leraren ter discussie werden gesteld. Uit hun reacties sprak ergernis over het geklaag van leraren, terwijl ze in hun ogen een luizenleven hebben. Is er nu niet een objectieve maatstaf te bedenken om te bepalen wie het bij het rechte eind heeft? Jawel, die is er. Die maatstaf heet ‘de markt’.

Zo’n 25 jaar geleden konden de lerarenopleidingen de toeloop van studenten nauwelijks verwerken. Het beroep werd klaarblijkelijk aantrekkelijk gevonden. In de jaren tachtig kreeg het onderwijs te maken met de terugloop van de leerlingenaantallen. Scholen moesten krimpen, de vraag naar leraren nam dus af en doordat de lerarenopleidingen aanvankelijk nog veel afgestudeerden afleverden, bleef het aanbod jarenlang te groot. Deze marktsituatie werd door de overheid aangegrepen om de arbeidsvoorwaarden van leraren te verslechteren. Het effect van deze ontwikkelingen is geweest dat de opleidingen voor leraar in het voortgezet onderwijs ophielden met groeien en bloeien en vervolgens leegliepen. En nadien leeg zijn bleven, ook nu inmiddels de vraag het aanbod overtreft.

Het leraarsberoep wordt door jongeren dus blijkbaar niet aantrekkelijk gevonden. Blijft natuurlijk de vraag of deze jongeren gelijk hebben. Het leraarsberoep kennen ze, dat hebben ze uitputtend van nabij meegemaakt, maar de meeste andere beroepen kennen ze niet. De desinteresse zou het gevolg kunnen zijn van een onjuist beeld van andere beroepen, of een gevolg van mode, of van de veronderstelde romantiek van het onbekende, en niet gestoeld op kennis van zaken.

Om dit te achterhalen ga ik met u verder de markt verkennen.

Veel van de afgestudeerden van lerarenopleidingen, die met hun stages het leraarsberoep uit en te na hebben leren kennen, kiezen uiteindelijk voor een baan buiten het onderwijs. Ook komt het veelvuldig voor dat jonge leraren het onderwijs inruilen voor een baan elders, en zelden of nooit hoor je dat ze daar spijt van krijgen, en er alsnog voor kiezen om te gaan lesgeven. En ten slotte zijn er mensen die na jaren werkervaring in andere sectoren besluiten om leraar te worden. Opvallend nu is dat velen van deze zij-instromers het onderwijs na korte tijd zwaar teleurgesteld weer vaarwel zeggen.

De conclusie kan niet anders zijn dan dat het leraarsberoep niet aantrekkelijk genoeg wordt bevonden om in de huidige arbeidsmarkt te concurreren. Begin jaren tachtig vormt wat dat betreft een cesuur: lagere salarissen, verslechterde arbeidsvoorwaarden, sluiting van scholen, fusies, ontslagen en werkloosheid. Vervolgens jarenlange immobiliteit, schaalvergroting en managementcultuur. Intussen hadden andere sectoren de wind in de zeilen. Dit ging gepaard met aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden, interessante scholingsmogelijkheden en carrièreperspectieven.

Conclusie: de arbeidsmarkt bewijst dat het voortgezet onderwijs, ondanks de lange vakanties en de ruime vrijheid om je eigen tijd in te delen, de concurrentie met andere sectoren niet aankan. Dus zal men het beroep van leraar hoe dan ook aantrekkelijker moeten maken. Zo simpel is dat.

lgm.prick@worldonline.nl