In Azië blijft nog genoeg ellende over

In sommige delen van Azië gaat het zo goed dat de Wereldbank er weinig meer kan betekenen. Maar er is in Azië ook nog genoeg ouderwetse, schrijnende armoede.

Heeft Azië de Wereldbank nog wel nodig? Het gaat immers goed met de wereldeconomie dankzij Azië. De Wereldbank heeft zelf onlangs nog becijferd dat de middenklasse in ontwikkelingslanden de komende twintig jaar in omvang zal verdrievoudigen: van 400 miljoen naar 1,2 miljard mensen, met name dankzij Azië.

Dan dienen zich vanzelfsprekend wel weer nieuwe problemen aan, zoals milieuvervuiling en een snel groeiende kloof tussen rijk en arm. Maar heeft de Wereldbank daar nog iets voor te bieden?

Onlangs zwaaide Indonesië de Wereldbank-chef in het land, Andrew Steer, uit. Een vrolijke, enthousiaste Brit, die in de balzaal van een groot hotel aan de hand van mooi klimmende grafieken aan een gretig en tevreden gehoor uitlegde wat voor geweldig succesverhaal Indonesië is. Zo mocht iedereen het graag horen en het past ook wel bij de diplomatieke omgangsvormen van de Wereldbank – iedereen houdt het vriendelijk.

Nu gaat het in Indonesië eigenlijk in vergelijking met diverse Aziatische landen nog helemaal niet goed, maar het land is op papier puissant rijk aan grondstoffen en krijgt het maar niet voor elkaar om bestuurlijk orde op zaken te stellen. Grootste probleem? De corruptie.

Dat is nou precies het onderwerp dat de gisternacht teruggetreden Wereldbank-president Wolfowitz als speerpunt van zijn beleid had geformuleerd. Maar Steer zweeg erover in zijn analyse. Hij had het keurig over „enkele implementatieproblemen bij beleid”, verder ging hij niet.

Het gastland houdt er niet van zich door de Wereldbank de les te laten lezen en corruptie is een probleem dat Indonesische sociologen en economen zelf al vrij goed hebben geanalyseerd. De oplossing is niet gemakkelijk, maar een instelling uit 1945, bedoeld om met zachte kredieten en expertise sociaal-economische ontwikkelingen op gang te helpen, is daarvoor ook niet de aangewezen instantie.

Luider nog dan de Wereldbank stelde de Aziatische Ontwikkelingsbank op haar recente jaarcongres de vraag wat geleidelijk aan haar functie moet worden nu de motor van de vooruitgang is aangesprongen in Azië. De Bank bleef het antwoord nog even schuldig.

Azië kent in elk geval nog genoeg plekken van schrijnende, ouderwetse ellende. Neem Oost-Timor – een kleine, falende staat. Wereldbank en Aziatische Ontwikkelingsbank delen er een kantoortje aan de kust in het troosteloze Dili. De plaatselijke minister kan er terecht voor een overzicht van de betalingsbalans en je ziet dat de kade te klein is om handel via zee op gang te krijgen. Dus dan helpt concrete actie – financiering, projecten, infrastructuur aanleggen. Kortom, zaken die de Wereldbank voortvarend aanpakt.