Heimwee naar heroïek uit Tweede Wereldoorlog dreef VS naar Irak

Een geromantiseerd beeld van de Tweede Wereldoorlog heeft Bush’ besluit beïnvloed om Irak aan te vallen.

Gideon Rachman

Columnist en blogger over internationale politiek van de Financial Times.

Waarom is Amerika begonnen aan de oorlog in Irak? Het is merkwaardig dat die vraag meer dan vier jaar na het begin van het conflict nog altijd niet afdoende is beantwoord. Ging het echt allemaal om ‘massavernietigingswapens’? Zat er eigenlijk een groots plan achter om het Midden-Oosten opnieuw in te richten? Had Amerika na de aanslagen van 11 september 2001 eenvoudigweg behoefte aan spectaculair machtsvertoon? Of was het een ‘oorlog om olie’?

Ik houd het erop dat het tweede motief – herinrichting van het Midden-Oosten – het zwaarst woog, en dat ook de andere overwegingen een rol hebben gespeeld. Maar er was denk ik nog een vijfde element – niet zozeer een motief als wel een geestesgesteldheid.

In het decennium voorafgaand aan 11 september 2001 raakten de VS steeds meer geobsedeerd door de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Al heel gauw na 9/11 werd duidelijk dat president George W. Bush had besloten dat het lot hem had uitverkoren de Roosevelt of de Churchill van zijn generatie te worden. In een toespraak tot de Verenigde Naties op 10 november 2001 trok Bush een vergelijking tussen de ‘oorlog tegen het terrorisme’ en de oorlog tegen Hitler: „In de Tweede Wereldoorlog hebben wij geleerd dat je je niet kunt afsluiten voor het kwaad. [...] Dat kwaad is teruggekeerd en voor die zaak moet opnieuw gestreden worden.’’

Geconfronteerd met de dodelijkste aanval die ooit op het Amerikaanse vasteland was gedaan, was het niet meer dan logisch dat de gedachten van de president uitgingen naar de grote conflicten uit het verleden. Maar het was wel zo dat toen Bush de Tweede Wereldoorlog in herinnering riep, hij aansloot bij een golf van heimwee naar de heroïek van 1939-1945 die al tien jaar lang aanhield.

In de jaren negentig had Hollywood de Tweede Wereldoorlog herontdekt. De oorlogsfilms die in de jaren zeventig en tachtig de meest prestigieuze Oscars voor de beste film en de beste regisseur kregen, gingen over Vietnam: The Deerhunter (1978), Apocalypse Now (1979), Platoon (1986) en Born on the Fourth of July (1989). Maar in het decennium voor 11/9 raakte Vietnam uit de mode en gingen de Oscars naar films die speelden tijdens de Tweede Wereldoorlog: Schindler’s List (1993), The English Patient (1996) en Saving Private Ryan (1998).

Ook in de literatuur stak de nostalgie naar de Tweede Wereldoorlog de kop op. Van Tom Brokaws The greatest generation (1998) zijn er alleen al in de gebonden versie meer dan een miljoen exemplaren verkocht. In dat boek werd stilzwijgend de slapheid van het tijdperk-Clinton afgezet tegen de heldhaftigheid van de generatie die de Tweede Wereldoorlog had gewonnen. De productiefste Amerikaanse populaire geschiedschrijver van de jaren negentig was wijlen Stephen Ambrose, die het ene na het andere verheffende boek over de Amerikaanse heldendaden uit de Tweede Wereldoorlog schreef, met titels als: D-Day: june 6, 1944: The climactic battle of World War II en The victors: Eisenhower and his boys – the men of World War II.

Maar waarschijnlijk had Band of Brothers – de belevenissen van een compagnie Amerikaanse parachutisten – de grootste uitwerking, doordat hiervan onder regie van Steven Spielberg en met Tom Hanks als co-producent een bekroonde televisieserie is gemaakt. De eerste aflevering werd uitgezonden op 9 september 2001 – twee dagen voordat de vliegtuigen het World Trade Center troffen.

Tijdens de traumatische maanden na 9/11 was Band of Brothers steeds te zien op de Amerikaanse televisie. Dexter Fletcher, die als acteur meedeed aan de miniserie, vatte de moraal aldus samen: „Als man van twintig weet ik niet of ik het had gekund. Mensen van onze generatie kunnen zich moeilijk voorstellen hoe het is geweest, maar laten we hopen dat de serie iets ervan heeft weten over te brengen, zodat mensen van nu denken: ‘Had ik dat aangekund?’’’

Dat smachtende verlangen naar een heroïsche opgave, na de slapheid en corruptie van een lange periode van vrede en welvaart, was al eerder vertoond. Het herinnert aan de stemming in Groot-Brittannië en Duitsland voor de Eerste Wereldoorlog. Volgens Rupert Brooke, een Britse dichter die in die strijd om het leven is gekomen, reageerde zijn generatie op het uitbreken van de oorlog in 1914 „als zwemmers die in het reine springen’’.

Zo heeft Bush het nooit uitgedrukt, maar hij riep de Amerikanen met grote woorden op om, net als eerdere generaties, de gestelde uitdaging waardig tegemoet te treden. Iets van een grimmige voldoening leek door te klinken in zijn vaak aangehaalde opmerking „Ik ben een oorlogspresident’’. De Britten speelden handig in op de historische associaties van de president: ze leenden hem een door Jacob Epstein vervaardigd borstbeeld van Churchill, dat een plaats kreeg in het Oval Office.

Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog hebben bijgedragen tot de mentale vorming van de mensen die aandrongen op de inval in Irak. Donald Rumsfeld, de toenmalige Amerikaanse minister van Defensie, vergeleek de mensen die twijfel uitten aan de oorlog met de mensen die zich in de jaren dertig van de twintigste eeuw schuldig hadden gemaakt aan appeasement jegens Hitler. Voor de wederopbouw van Irak, zo liet de regering-Bush weten, zou de bezetting van Japan en van Duitsland na de Tweede Wereldoorlog als voorbeeld dienen. In die gevallen hadden wijze Amerikaanse gouverneurs met vooruitziende blik voormalige dictaturen geholpen democratieën te worden, en vijanden tot bondgenoten gemaakt. Wie betwijfelde of Irak een democratie zou kunnen worden, werd er veelvuldig aan herinnerd dat zulke twijfel indertijd ook was geuit over Japan.

Helaas was het zo dat Bush’ Witte Huis wel graag terugblikte op de Tweede Wereldoorlog, maar er nooit over piekerde de Amerikanen te vragen om ook alles op alles te zetten voor de oorlog in Irak. De val van Saddam zou een wereldoorlog light worden, mét alle glorie maar zonder enige pijn. Dienstplicht zou niet nodig zijn. Economische offers zouden niet nodig zijn. Zelfs gedetailleerde plannen voor na de oorlog schenen niet nodig te zijn.

Pas toen de inval en de bezetting van Irak werkelijk plaatsvonden, werd duidelijk dat de vergelijking met de bezetting van Japan en Duitsland hopeloos mank ging. Zowel Duitsland als Japan was na jaren van oorlogvoeren uitgeput, en beide hadden voor het uitbreken van de oorlog op beperkte schaal ervaring opgedaan met democratie. Bovendien waren de VS toen tot een veel grotere inspanning bereid. Alleen al in Japan waren tot 1950 450.000 Amerikaanse militairen gelegerd.

Het zou geen verrassing moeten zijn dat de vergelijking tussen de inval in Irak en de Tweede Wereldoorlog niet opging. Historische analogieën zijn maar zelden bestand tegen een kritische blik.

Misschien hadden de president en zijn adviseurs er beter aan gedaan de werken van Ambrose en Brokaw ter zijde te leggen en voor één keer een eminente maar niet trendy Duitse filosoof te raadplegen. Karl Marx heeft geschreven dat de geschiedenis zich herhaalt, „de eerste keer als tragedie, de tweede keer als klucht’’. De invasie in Irak was allebei tegelijk.

©The Financial Times