Dudamel zwiept, klieft en klauwt

Concert: Rotterdams Phil. Orkest o.l.v. Gustavo Dudamel. Gehoord: 18/5 De Doelen, Rotterdam. Herh.: 19/5, De Singel, Antwerpen.

Jonger, gewilder en energieker dan Gustavo Dudamel (1981) kan een dirigent niet zijn. Dudamel, ooit genoemd als potentiële opvolger van Valery Gergjev in Rotterdam, werd dit voorjaar benoemd als chef in Los Angeles – een post van internationale statuur. Nog opmerkelijker dan zijn leeftijd of succes is Dudamels afkomst. Als dirigent is hij een succesproduct van ‘el sistema’; een socialisatieproject in Venezuela dat in dertig jaar al 250 duizend kinderen van de straat hielp door ze aan het musiceren te brengen. Dudamel begon als violist en was 17 toen hij chef werd van het Simon Bolivar Youth Orchestra, waarmee hij nu voor Deutsche Grammophon opvallende cd-opnames realiseert.

Dudamel debuteert deze week bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Hij was in Nederland slechts éénmaal eerder te beluisteren – twee jaar terug bij Amsterdam Sinfonietta. Een derde concert in Nederland laat nu weer twee jaar op zich wachten, want zijn chefschappen in LA (in 2009), Götenborg (2007) en Venezuela (heden) eisen het gros van zijn tijd.

Zoals elke dirigerend ‘wonderkind’ wordt Dudamel de nieuwe Bernstein (charisma), Rattle (krullen) én Gergjev (expressie) genoemd, maar hij presenteerde zich gisteravond in De Doelen vooral als zichzelf. En waar bij Gergjev de stoelen niet altijd alle bezet waren, kreeg Dudamel dat gisteren wel voor elkaar; een uitverkochte zaal, zo vol verwachting dat er al bij opkomst kiekjes werden geschoten.

Dudamel beschikt over een opvallend gestileerde slagtechniek, waarmee hij in Ravels Le tombeau de Couperin een subtiele en weelderige klank realiseerde. Door de ritmische helderheid bleef steeds duidelijk dat Ravel zich op barokke dansen baseerde.

Wie Dudamel op zijn opnames met het Simon Bolivar Youth Orchestra aan het werk hoort, wordt vooral geraakt door de ongetemde passie van musici en dirigent. In Stravinsky’s Le sacre du printemps was het datzelfde vuur dat indruk maakte; Dudamel – zwiepend, springend, klievend en grauwend – dirigeerde met de overgave van een topatleet en wist die energie ook bij het orkest op te roepen. Hij paarde controle aan onstuimigheid en zorgde zo voor schurende momenten. Als geheel kan de Sacre nog scherper en kleurrijker door het oor snijden, maar Dudamel bewees hier wel de onomstotelijkheid van zijn oermuzikaliteit.

Minder geslaagd was het Tweede pianoconcert van Liszt, waarin Kirill Gerstein te weinig sprekend soleerde om het tegen Dudamels eigenzinnigheid te kunnen opnemen. Zijn toegift – een met te vlakke stemmen uitgelichte Erlkönig-transcriptie van Liszt – stelde dat beeld niet bij. Dudamel zat er als primus inter pares bij in het orkest en riep om het hardst bravo. Maar wonderlijk genoeg bewees dat juist dat dit zíjn avond was. Wordt vervolgd in 2009.