Debye

De universiteiten van Maastricht en Utrecht blijven samen optrekken in de kwestie Debye, inmiddels een slepende affaire. Deze week maakten ze bekend dat ze gezamenlijk een commissie hebben ingesteld. Die moet hen adviseren over het gebruik van de naam van fysicus en Nobelprijswinnaar chemie Peter Debye (1884-1966).

De kwestie begon bijna anderhalf jaar geleden, op 21 januari 2006, met een artikel in Vrij Nederland: ‘Nobelprijswinnaar maakt vuile handen’. Wetenschapshistoricus en journalist Sybe Rispens betoogde daarin dat Peter Debye, ‘een van de grootste Nederlandse wetenschappers van de twintigste eeuw’, vuilere handen had dan tot dan toe werd aangenomen. Hij onderbouwde dat met twee brieven, die bij een beperkt gezelschap van wetenschapshistorici al langer bekend waren, maar waarvan het grote publiek geen weet had.

Al drie weken na die publicatie schrapten beide universiteiten de naam Debye. Utrecht ontnam het Debye Instituut (een onderzoeksschool op het grensvlak van chemie en fysica) zijn naam, en bij de Universiteit Maastricht verdween de tweejaarlijkse Peter Debye Prijs.

De snelle, en volgens sommigen onbesuisde reactie van de universiteiten, gaf veel commotie. En leidde tot aanhoudende kritiek: de universiteiten hadden moeten wachten op de uitkomst van nader onderzoek naar de claims van Rispens.

Pas in juli vorig jaar gaf het ministerie van Onderwijs het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) opdracht om Debye’s houding voorafgaand aan en tijdens de Tweede Wereldoorlog door te lichten.

De uitkomst van dat onderzoek wordt dit najaar verwacht. De nu ingestelde commissie, onder het voorzitterschap van oud-politicus Jan Terlouw, zal haar advies op deze uitkomst baseren.