De wilde vaart? Wachten op het dok zul je bedoelen!

De trossen mogen nog niet los. Diana Tromp moet nog even wachten voordat vrachtschip de Lida van Batam mag vertrekken

Mooie boel. Heb ík weer.

Schrijf ik me in voor drie maanden wilde vaart, gaan we stilliggen! Het is nu twee weken geleden dat ik aanmonsterde op vrachtschip de Lida. We liggen op een scheepswerf in Batam, een Indonesisch eiland voor de kust van Singapore. Mijn aankomst op de werf bleef niet onopgemerkt. Het viel precies samen met het einde van de werkdag. Een sirene, en uit het niets verschenen ze: 7.000 havenarbeiders, alleen maar mannen. Vuil, bezweet, vermoeid. Ze hadden er tien uur werk op zitten. Het leek een mierenkolonie. In het gelid, met vijf rijen tegelijk schuifelden ze naar de uitgang. Ik passeerde hen in tegenovergestelde richting. Een roodharige reuzin, gekleed in een zonnig hemdje, korte broek, de teennagels gezellig in de lak. De turquoise trolley die ik met me meezeulde was zo groot dat er met een beetje proppen drie arbeiders in zouden passen. Omdat ik op een speciaal zeemansticket reisde mocht ik veertig kilo aan bagage meenemen – en dat hoef je mij geen tweede keer te zeggen. Living to the max. De trolley rolde moeizaam op de modderige grond, ik zweette over mijn hele lijf. Het was 35 graden. Mijn hoofd voelde inmiddels net zo rood als mijn haar. Ik hield het gebogen onder al die duizenden nieuwsgierige blikken.

getatoeëerd anker

Gelukkig werd ik op mijn eerste passen in de richting van de Lida vergezeld door de nieuwe kapitein Peter, die gelijktijdig met mij aanmonsterde. Ik had hem eerder die dag, in het hotel in Singapore waar ik had overnacht, direct herkend aan het getatoeëerde anker op zijn onderarm. Toch verzekerde hij mij dat hij een uitzondering was: de meeste zeelui gaven de voorkeur aan draken, doodshoofden of hartjes.

Eenmaal aan boord van de Lida rook het naar olie en aftershave, veel aftershave. Het was bijna etenstijd. Ik wachtte in de mess: een kleine eetruimte waar reeds voor acht man was gedekt. En daar verschenen mijn nieuwe collega’s: gewassen, geschoren, in verse kleren gestoken en met de haren gekamd. Alhoewel, gekamd: de helft heeft het haar gemillimeterd – het baardentijdperk lijkt ook voor zeelui voorbij. Ze luisteren naar de namen Genovy, Sergei, Sasha, Alex en Igor (3 keer). En ze waren stuk voor stuk verlegen. We aten in stilte. Veel blikken over en weer, één en al beleefdheid met het doorgeven van mayonaise, augurken en aardappelpuree. Alleen Peter kletste er op los.

Mijn hut viel niet tegen. Alles is van hout: vloer, tafel, kastjes en een bedstee-stapelbed. Het bed is slechts 65 centimeter breed maar ik slaap er prima in. Alles is ton-sur-ton geverfd: beige-bruin. Ik heb een dvd-speler, boekenplank en (het belangrijkste): een patrijspoort. De hut meet 2,5 bij 3 meter: als ik in het midden sta en me strek kan ik overal bij. Handig. En gemakkelijk schoon te houden bovendien.

trossen los

En nu is het afwachten. Mijn fantasieën van trossen los, het anker omhoog en met volle kracht de onbekende horizon tegemoet zijn nog niet uitgekomen. De Lida moet een uitgebreide keuring ondergaan en daarvoor moet zij het droogdok op. Ik kan de helling zien liggen vanuit mijn patrijspoort, maar we kunnen er nog niet op. Om onduidelijke redenen stelt de werf het steeds uit. Alles duurt nog ‘two day’, wat ik graag wil begrijpen als ‘today’, maar dat is helaas niet zo.

Zolang we niet varen hoef ik geen matrozenwerk te doen: dek schrobben, roest bikken en verven. Het is hetgeen waar ik me zo op had verheugd, vooral de stoere overall en stevige werkschoenen. Nu kwijt ik mij van mijn redactionele taken: de hort op en verhalen schrijven. Ik pak de Lonely Planet erbij. Die wijdt anderhalve pagina aan Batam, met als meest opzienbarende feit dat het eiland het hoogste aantal hiv-besmettingen van Indonesië kent. Heb ík weer.

Wachten op het dok. Het is niet mijn sterkste kant – ongeduld is my middle name. In mijn vorige baan als tv-redacteur was dat een prima eigenschap want bij de televisie moet alles gisteren af zijn. Mijn nieuwe collega’s laten zich niet opnaaien. Ze werken gestaag door en zien wel wat de dag brengt. „We’ll see tomorrow, Diana.” Wijze mannen. Ik probeer het gelaten over mij heen te laten komen. „Gáán we naar Batam, dan blíjven we in Batam!”, varieer ik op Herman Bode.

De wilde vaart? Het lange wachten zul je bedoelen. Heb ík weer.

Zie ook www.zeeopschool.nl