De wereld veranderde, de Bank niet

Met het vertrek van president Paul Wolfowitz zijn de problemen van de Wereldbank niet opgelost. In Latijns-Amerika lossen landen versneld leningen af – als ze de Wereldbank al niet de wacht aanzeggen. In Afrika neemt China de rol van geldlener voor een deel over. En sommige Aziatische landen hebben de Wereldbank niet meer nodig. Daniel Kaufmann: „Het is jammer dat economische groei soms een vies woord is.”

Toen de president van Venezuela, Hugo Chávez, vorige maand aankondigde dat zijn land geen zaken meer zou doen met de „imperialistische” instellingen Wereldbank en Internationaal Monetair Fonds, liet hij Paul Wolfowitz niet onvermeld.

Chávez die zich in zijn redes altijd fel anti-Amerikaans uitlaat, verwees fijntjes naar het schandaal rond de gisternacht afgetreden Amerikaanse Wereldbank-president, „die zijn vriendin een torenhoog salaris gunde”. Chávez: „Dit soort internationale bewindvoerders leeft als koningen, reist de wereld rond en doet zich te goed aan het geld van gewone mensen.”

Maar Venezuela’s breuk met de Wereldbank en het IMF was zeker niet alleen ingegeven door de affaire-Wolfowitz – en evenmin onvoorzien. Ze was bovenal symbolisch van aard: Venezuela loste onder Chávez in versneld tempo zijn uitstaande rekeningen af. Sinds vorige maand had het bij geen van de organisaties nog geld uitstaan.

En het is niet het enige Latijns-Amerikaanse land dat onafhankelijker van de instellingen wil worden. Twee andere grote landen, Argentinië en Brazilië, lossen versneld af. Ecuador verklaarde vorige maand de bewindvoerder van de Wereldbank in Quito tot persona non grata. En sandinistenleider en president van Nicaragua Daniel Ortega zinspeelt op een breuk met het IMF.

Volgens de Chileense topeconoom Daniel Kaufmann is het echter te vroeg om van een regionale trend te spreken. Kaufmann is directeur Global Programs bij het Worldbank Institute, de advies- en onderzoeksorganisatie van de Wereldbank. Vorige week was hij in Nederland, waar hij onder meer een lezing hield op uitnodiging van de Nederlandse tak van de Society for International Development.

Kaufmann vertelt tijdens een vraaggesprek dat het niet zo is dat politici in Latijns-Amerika alleen nog verkiezingen kunnen winnen met de belofte de Wereldbank de deur uit te zetten. „Bij de elf verkiezingen van het afgelopen jaar zagen we in meerderheid zittende leiders of voormalige machthebbers herkozen worden.” En weliswaar was deze zittende macht vaker centrum-links of sociaal-democratisch dan centrum-rechts of rechts; van de in totaal achttien Latijns-Amerikaanse landen telt Kaufmann naast Venezuela „maar een of twee landen waar Chávez zo’n invloed heeft dat ze daar ook met de Wereldbank of IMF willen breken”. Daarbij: „We moeten ook afwachten hoe definitief dit soort besluiten zal blijken te zijn.”

IMF en Wereldbank worden in de regio vaak op een hoop gegooid. Dit omdat ze worden vereenzelvigd met de zogeheten ‘Washington Consensus’, een pakket van liberaliseringsmaatregelen dat sinds de jaren tachtig als voorwaarde wordt gesteld bij leningen en kredieten.

Bijna alle Latijns-Amerikaanse regeringen werden zo verplicht hun torenhoge buitenlandse schulden en regelmatig terugkerende hyperinflatie tegen te gaan. Volgens neoliberaal recept saneerden ze hun overheidsbudgetten. Vooral door het bezuinigen op sociale voorzieningen en door het privatiseren van de staatsbedrijven. Maar ook door hun markten open te stellen voor buitenlandse multinationals.

Vooral dankzij de hoge grondstofprijzen laten de voorheen notoir instabiele economieën de afgelopen jaar een aanhoudende groei zien. Kaufmann: „Maar deze economieën-in-de-lift kunnen ook weer dalen. En dat is behalve van de grondstofprijzen afhankelijk van de inkomensverdeling, het bestrijden van corruptie en het bevorderen van goed bestuur.”

De groei komt namelijk niet bij iedereen in gelijke mate terecht: de inkomensongelijkheid is groter geworden in veel landen. En vooral armen klagen over de privatisering van staatsbedrijven waardoor nutsvoorzieningen (gas, water, licht, transport en telefonie) vaak duurder werden. Daarnaast vinden ze dat de grondstofrijkdom onvoldoende ten goede komt aan de landen zelf. De hoge winsten op bijvoorbeeld olie, gas en koper worden volgens hen in te grote mate door buitenlandse bedrijven opgestreken.

En te lang, zegt Kaufmann, was er binnen de Washington Consensus te weinig aandacht voor de aanpak van corruptie en wanbestuur. Die vormen een „degressieve belasting voor de armen”: het betalen van steekpenningen en smeergeld en de effecten van prijsspeculatie treffen armen relatief veel harder in de portemonnee dan rijken.

Kaufmann: „Het is jammer dat economische groei nu soms een vies woord is. Want alleen groei leidt tot sociale ontwikkeling en kan uiteindelijk armoede verlichten.” Kaufmann noemt als voorbeeld zijn eigen land, Chili. Het voert al decennia een klassiek neoliberaal beleid, dat werd ingezet onder dictator Augusto Pinochet en voortgezet door de coalitie van christen- en sociaal-democraten. De corruptie is er minder dan in sommige Zuid- en Oost-Europese landen. In dertig jaar nam het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft er af van 45 naar 16 procent.

In dertig jaar. Heeft het arme deel van het electoraat daar het geduld wel voor? Kaufmann is optimistisch. „Natuurlijk zal populisme blijven verkopen. Maar wat we in onderzoek zien, is dat de economische groei minder verbonden raakt met de tevredenheid over democratie.” Hierdoor is er na een economische crisis of afgenomen groei nog wel ontevredenheid over het democratisch bestuur, maar de roep om autoritair leiderschap neemt steeds meer af.

Wat hier tegenover staat, zegt Kaufmann, is dat door de inkomensongelijkheid en de hoge grondstofprijzen de wens om (re-)nationaliseringen toeneemt. Hiermee zou de regio van de regen in de drup kunnen belanden. „Uit onderzoek blijkt niet dat staatsbedrijven minder corrupt zijn. Wel dat ze minder efficiënt werken en minder investeren. Ook bevorderen nationaliseringen het investeringsklimaat niet.”

Wil de Wereldbank de boodschap van anticorruptie en goed bestuur in de regio overtuigend uitdragen, dan moet zij meer werk maken van het aan de schandpaal nagelen van corrupte multinationals, zegt Kaufmann. Verder is het goed dat de VS stemkracht binnen de bank hebben afgestaan aan Europese landen. „Maar ook ontwikkelingslanden zouden meer invloed moeten krijgen. En we zouden ook moeten nadenken om [voor het eerst, red.] een niet-Amerikaan als voorzitter te kiezen.”

Daarvoor echter, „moet wel eerst onze leiderschapscrisis in eigen huis” opgelost worden, zei Kaufmann dinsdag – toen Wolfowitz nog niet had willen aftreden. „We merken nu al dat onze geloofwaardigheid en slagkracht afnemen.”