Bodemaaltje past zich zelfs zonder seks snel aan vervuiling aan

Het bodemaaltje ‘Acrobeloides nanus’. Foto Wageningen Universiteit Wageningen Universiteit

Ook klonen kunnen zich snel aanpassen aan vervuiling. Dat bewijst een populatie van het ongeslachtelijke bodemaaltje Acrobeloides nanus op een vervuild proefveldje nabij Wageningen. Agnieszka Doroszuk promoveerde 1 mei aan de Wageningen Universiteit op deze wijdverbreid voorkomende, flexibele wormpjes.

Het lijkt logisch dat aseksuele populaties zich genetisch veel langzamer aanpassen dan seksuele populaties, omdat klonen allemaal hetzelfde zijn. Maar dit is nog maar de vraag. Ongeslachtelijke populaties zijn wijdverbreid in de natuur, en steeds meer laboratoriumstudies tonen aan dat ook zij zich snel, soms zelfs al binnen drie generaties, kunnen aanpassen aan vervuiling. Doroszuk heeft dit nu als eerste ook in het veld bewezen.

Hiervoor gebruikte ze een proefakker uit 1982. In deze akker ligt onder andere een veldje met een extreem hoog kopergehalte (750 kilo per hectare) en een extreem lage zuurgraad (pH is 4,0). Doroszuk vergeleek de aaltjes uit dit meest vervuilde stukje, met hun soortgenoten uit een ‘schoon’ stukje bodem. Ze vergeleek onder meer de biomassa aan aaltjes in de bodems, de groeisnelheid, generatietijd en het aantal eitjes dat ze legden.

De aaltjes in het vervuilde veldje bleken goed aangepast: in deze vervuilde grond zaten niet minder A. nanus dan in niet vervuilde bodems. Maar de schijn bedroog: hun groeisnelheid was veel lager, en hun generatietijd was sterk toegenomen. De promovendus schat dat de wormpjes in het vervuilde veldje de laatste 20 jaar 14 generaties hebben doorlopen, tegen 132 generaties in het normale veldje. Hun ecologische belang (als bacterie-eter en prooi voor wormeters) was dus wel fors verminderd. Daarentegen groeiden deze snel geëvolueerde aaltjes in zure kweekbodems juist harder dan de ‘normale’ aaltjes. Zuur- en kopertolerantie kost wellicht zoveel energie, dat populaties dit alleen kunnen opbrengen als ze ook langzamer gaan groeien.

Het onderzoek zet vraagtekens bij het toxicologisch onderzoek. Toxicologen testen tegenwoordig de schadelijkheid van chemische stoffen vaak met klonen van de watervlo en de springstaart. Maar ook klonen passen zich dus aan. En het feit dat de biomassa hetzelfde blijft, zo blijkt nu, is dus nog geen garantie dat de stof niet schadelijk is voor het ecosysteem.

Marianne Heselmans