Wapenstilstand in het bordeel

Met in zijn achterhoofd de gedachte dat iedereen van zijn eigen volk moet houden, trok Arnon Grunberg naar Libanon. Daar wilde hij de vermeende vijand van ‘zijn’ volk leren kennen. In aflevering 1: „Ik had lichte angst dat ze me voor een agent van de Mossad zouden aanzien.”

Kapotgeschoten flat in de Shi’itische wijk van Beiroet Foto Arnon Grunberg Grunberg, Arnon

Een jaar of acht geleden zag ik de film West-Beyrouth van de Libanese regisseur Ziad Doueiri. De film speelt zich af in Beiroet ten tijde van de burgeroorlog, voornamelijk in een bordeel dat zich precies op de zogenaamde groene lijn bevindt die het christelijke gedeelte van de stad scheidde van het islamitische deel. Strijders van beide partijen bezoeken het bordeel – er zijn twee ingangen –, zetten hun wapens in de gang en beleven daar een paar genoeglijke uurtjes. Vanaf het moment dat ik die film had gezien wilde ik naar Beiroet. Niet alleen omdat het pragmatisme van de burgeroorlog, zoals dat in West-Beyrouth wordt getoond, aardig contrasteert met de berichten over Libanese fanatiekelingen en heethoofden die we normaal voorgeschoteld krijgen, maar vooral ook omdat de gedachte dat wapenstilstand in het bordeel begint iets fascinerends heeft.

Bovendien vroeg ik me af of ik geacht word een band te hebben met Israël. Mijn zus woont met haar familie in een nederzetting op de Westelijke Jordaanoever. Zij vindt uiteraard van wel, en de rest van mijn familie eveneens, maar uit allerlei gesprekken en commentaren is mij duidelijk geworden dat ook talloze anderen menen dat mijn afkomst dwingt tot stellingname. Misschien indachtig de uitspraak die Elie Wiesel onlangs in een interview deed, dat iedereen van zijn eigen volk moet houden. Mij lijkt dat veel gevraagd. Het is lastig genoeg om van een paar mensen in je omgeving te houden, en in het algemeen betwijfel ik of je liefde kunt afdwingen. Van niemand houden is een mensenrecht.

Maar stel dat er zoiets bestaat als een moreel imperatief dat zegt dat je van je eigen volk moet houden, dan betekent dat ook dat je de vermeende of werkelijke vijanden van dat volk maar eens moet leren kennen. Al was het maar omdat je zelf per ongeluk, ondanks alles, opeens voor vijand kan worden aangezien. Van wie doet er nauwelijks toe.

In april van dit jaar stap ik

in Parijs op het vliegtuig naar Beiroet.

Direct voor mij zit een zo te zien welgesteld Libanees echtpaar met een kind en een Filippijnse huishoudster. De Filippijnse huishoudster zit alleen achterin het vliegtuig, maar wordt geregeld besteld om kleine taken te verrichten.

Op Guantánamo Bay werkte ook een flink aantal Filippijnse gastarbeiders. Naar verluidt voor anderhalve dollar per uur. Wie behoefte heeft aan een moderne slaaf komt al snel op de Filippijnen terecht.

Op het vliegveld van Beiroet bladert een Libanese douanier geïnteresseerd in mijn paspoort. Israëlische stempels ontbreken, anders was ik Libanon niet ingekomen. Men heeft mij op het hart gedrukt aan niemand te vertellen dat ik van joodse komaf ben en het feit dat ik na Libanon nog naar Israël zal reizen, dien ik ook geheim te houden. Het zal me niet moeilijk vallen. Ik houd van geheimen.

Tegelijk met mij arriveert een contingent Italiaanse VN-soldaten. Door de verkeerschaos voor het vliegveld is het vervoer voor de soldaten niet op tijd. Het contingent valt uiteen. Sommige soldaten lopen in de richting van de plek waar hun bus vandaan zou moeten komen, andere blijven staan en steken een sigaretje op, en weer anderen gaan terug de aankomsthal in. Een Italiaanse officier zwaait met zijn armen maar dat maakt geen indruk.

Ik vraag me af wat deze soldaten in Libanon gaan doen.

Na een kwartier verschijnt mijn chauffeur. Onderweg naar het hotel wijst hij me op bezienswaardigheden, maar zijn Engels is onverstaanbaar. We passeren een paar wegversperringen, en vlakbij het hotel zitten enkele Libanese soldaten gemoedelijk op een tank. Niemand besteedt aandacht aan hen.

In de lobby van het hotel

bevinden zich meer VN-militairen, dit keer uit Maleisië. Ze lijken het naar hun zin te hebben. Twee roken een sigaartje.

Op mijn kamer bel ik maar meteen met de contactpersonen die me zijn aanbevolen en die me behulpzaam zouden kunnen zijn bij mijn onderzoek in Libanon. Het beroep van contactpersoon heeft in Beiroet een naam: fixer. Een intrigerend woord: fixer.

Een van de fixers die ik bel is bereid me de volgende dag om twee uur ’s middags in het hotel te ontmoeten. Ze heet Hwaida en ze klinkt vrolijk. Ik geloof dat ik een vrolijke fixer prefereer boven een sombere.

Het hotel heeft me een diner aangeboden. Om acht uur arriveer ik in de dan nog tamelijk lege eetzaal. Ik krijg een tafel in een hoek bij het raam. Iets verderop zit een groep hippe jongeren. Ze zijn mooi en praten niet overdreven luidruchtig.

Het eten komt naar me toe zonder dat ik iets hoef uit te zoeken. Het is lekker maar vooral ook erg veel. Een vriendelijke Libanees blijft mij rode wijn bijschenken. Als ik drie glazen op heb, merk ik dat ik dronken ben.

Zo waardig mogelijk begeef ik me naar mijn kamer.

Vanaf het begin van deze reis had ik de lichte angst dat welwillende mensen in Libanon mij per ongeluk voor een agent van de Mossad zouden aanzien.

Nu ik alleen op de kamer ben, begin ik mezelf af te vragen of ik misschien een spion ben. Kun je een spion zijn zonder het zelf te weten?

Spionnen reizen veel. Als men mij vraagt ‘waarom reis je zoveel?’, wat moet ik antwoorden?

Middenin de nacht

klopt er iemand op mijn deur. Ik schrik wakker en omdat het kloppen niet minder wordt besluit ik open te doen. Ik denk: als ze me willen ontvoeren komen ze toch binnen.

Voor mij staat een dronken man die een monoloog in het Arabisch begint. Ik luister beleefd naar hem en sluit dan de deur weer.

Om tien uur de volgende ochtend staat Dallal in de lobby van het hotel op me te wachten. Dallal is een gids voor toeristen. Omdat ik officieel een toerist ben lijkt het me goed een gids voor toeristen in te huren.

Ze is eind veertig en maakt een serieuze indruk.

Om te beginnen neemt ze me mee naar Haret Hreik, de shi’itische wijk, die afgelopen zomer zwaar door Israël is gebombardeerd.

Er zijn aardig wat ruïnes te zien. Maar Dallal zegt met een zekere teleurstelling in haar stem: „Je had hier in september moeten komen. Maar je mag foto’s maken.”

Het aantal posters met Nassralah erop valt me eerlijk gezegd tegen. Ik had meer verwacht.

In het Nationale Museum van Beiroet zegt Dallal zonder dat er een directe aanleiding voor is: „We verwachten weer wat deze zomer. In Israël hebben ze Libanese dorpen nagebouwd en daar zijn ze nu aan het oefenen. Je kunt Israël zeggen of Palestina, ik zeg altijd: onze buren in het zuiden. De VS zitten hier achter. Omdat ze Iran willen aanvallen moet Hezbollah worden uitgeschakeld. Sorry dat ik het zeg.”

Ik vraag me ernstig af waarvoor Dallal zich precies excuseert.

(wordt vervolgd)