Vrijwillige Dudoktatuur

Overal in Nederland worden oude wijken herbouwd. Zoals de Zaanse arbeiderswijk Vissershop en het Hilversumse Liebergen. Maar die herbouw is wel aangepast aan de moderne tijd.

Mevrouw Groot tikt op het raam als we voorbij haar huis in het Vissershop lopen. Ze zwaait en loopt naar de deur. Bas Liesker, een van de architecten van Heren 5 die het nieuwe Vissershop hebben ontworpen, blijft staan. „Ha Bas”, zegt mevrouw Groot nadat ze de deur heeft geopend. „Hoe gaat het? Kom je weer eens kijken hoe het er bij staat?”

„Ja”, antwoordt Liesker. „Ik geef een rondleiding.” Dan stelt hij een vraag die architecten zelden durven stellen. „Mag ik je wat vragen”, zegt hij. „Ben je nu gelukkig in het nieuwe Vissershop?”

„Ja”, antwoordt mevrouw Groot. „Het nieuwe huis bevalt goed. Ik woon een paar deuren van de plek waar we vroeger woonden. Maar de wijk is wel veranderd. De helft van de vroegere bewoners is vertrokken. Het is toch niet meer zoals vroeger.” Ze heeft nog andere klachten. Na twee jaar is de verf op de kozijnen al aan het bladderen, zegt ze. „En wat jullie hierachter hebben gedaan, is natuurlijk niet goed. Waarom hebben jullie het paadje niet in het midden gelegd?”

Als we achter de huizenrij staan, is moeilijk te zien wat mevrouw Groot nu precies bedoelt. Er heeft zich in ieder geval geen grote ramp voltrokken. „Ze bedoelde dat de ene achtertuin 30 centimeter langer is dan die er tegenover ligt”, legt Bas Liesker uit. „Dat is er doorheen geslipt.”

Vissershop is een arbeiderswijk in Zaandam met kleine rijtjeshuizen die in 2003 werd gesloopt en opnieuw werd opgebouwd. Toen de wijk in 1914 werd gebouwd, waren de huizen niet voor de eeuwigheid bedoeld. Maar het duurde tot eind jaren negentig voor het besluit viel de wijk te slopen. Voor de wederopbouw van Vissershop werd gekozen voor het ontwerp van Heren 5. Opmerkelijk onderdeel is dat het stratenplan bijna een exacte kopie is van dat van het oude Vissershop. „Toen we in het oude Vissershop gingen kijken, zagen we een fantastisch wijkje”, vertelt Liesker over het ontwerp. „Een enclave, verstopt achter de dijk van de Zaan, met mooie geknikte straten die zijn genoemd naar de bomen die er stonden en intieme pleintjes. Er viel eigenlijk niets aan te verbeteren. Zelfs de bezonning van de tuinen was goed.”

De keuze voor het behoud van het stratenplan sloot ook aan op de wens van de bewoners van het Vissershop om het oude karakter van hun wijk te bewaren. Toch is het nieuwe Vissershop niet helemaal gelijk geworden aan het oude. In een hoek van de wijk staat nu een appartemententoren. „Die hadden we eigenlijk niet gewild”, zegt Liesker. „We vinden dat hij niet bij de laagbouw past. Maar de opdrachtgever, Zaandams Vereniging Volkshuisvesting, wilde per se dat er ook appartementen in het nieuwe Visserhop kwamen.”

Vissershop is een van de vele wijken

en gebouwen die in Nederland de laatste jaren zijn herbouwd. Van een aula van Gerrit Rietveld op een begraafplaats in Hoofddorp tot een gevel van het Lucasgilde in Delft – overal keren oude gebouwen in een nieuwe gedaante terug. Vooral als het gaat om herbouw van gebouwen van voor 1920, zoals de plannen voor de herbouw van de donjon in Nijmegen of een oude 17de-eeuwse toren van Hendrick de Keyser in Amsterdam, levert herbouw veel kritiek op. Valse nostalgie, kitsch en Anton Pieck zijn woorden die al gauw vallen in zulke kritieken.

De afwijzing van herbouw komt voort uit een geloof in de Zeitgeist. Het geloof dat elk tijdperk een eigen architectuur vraagt of zelfs eist, stamt uit de 19de eeuw en werd voor het eerst geformuleerd door neogotische architectuurtheoretici als Pugin en Viollet-le-Duc. Zij verbonden het geloof in de tijdgeest met een pleidooi voor eerlijkheid, waarheid en zuiverheid in de architectuur. Hun theorieën hebben tot op de dag van vandaag opvattingen over architectuur bepaald. Omdat elke tijd zijn eigen architectuur vraagt, zo redeneren de huidige critici van herbouw bijvoorbeeld, is het een zwaktebod of zelfs immoreel om in de 21ste eeuw gebouwen uit het verleden te herbouwen.

Op het nieuwe Vissershop is de Zeitgeist-kritiek tot nu toe nog niet te horen geweest. Dit komt waarschijnlijk doordat wel het oude stratenplan is gekopieerd, maar niet de oude huizen. „Ik heb geen principiële bewaren tegen restauratie”, zegt Bas Liesker. „Soms is restauratie op zijn plaats, maar in Vissershop maakte de context dit onmogelijk. Het is nu toch de 21ste eeuw, het leven is veranderd. Het gaat toch om andere woningen dan in 1914. Niet alleen moesten de nieuwe huizen groter worden dan de oude, maar ook moest er een oplossing worden gevonden voor het parkeren van auto’s die je in 1914 nog nauwelijks had. Hiervoor hebben we op verschillende plekken achter de huizen parkeerhoven ontworpen. Je moet ons ook niet hebben voor restauratie. Het liefst maken we toch een eigen ontwerp waarin je je ziel kunt leggen.”

Toch bevat de architectuur van het nieuwe Vissershop wel verwijzingen naar het verleden: de nieuwbouw staat in de traditie van de tuindorpen zoals die in de vroege twintigste eeuw in de Zaanstreek zijn gebouwd. „We zijn nagegaan wat de kenmerkende elementen van de oude Zaanse arbeidershuizen waren”, vertelt Liesker. „We kwamen uit op grote, geknikte mansardedaken met rode pannen, stevige witte raamkozijnen en een plint van baksteen. Met deze drie eenvoudige middelen hebben we alle huizen in Vissershop ontworpen.”

In Liebergen, een Hilversumse wijk

uit het interbellum, werd Hans Ruijssenaars voor een soortgelijk probleem gesteld als Heren 5 in Zaandam. Nadat woningbouwverenigingen hadden vastgesteld dat een groot deel van de woningen in Liebergen hard toe was aan renovatie, werd hij gevraagd om een ontwerp voor vernieuwing van de wijk. Zijn uitgangspunt was dat de opzet van het stedenbouwkundig ontwerp van de toenmalige stadsbouwmeester Willem Marinus Dudok behouden moest blijven. „Dudok maakte van Liebergen een wijk van verschillende delen die elk hun eigen kern hadden”, legt Ruijssenaars uit. „Dat kan een school zijn of een kerk.” Maar niet alle delen van Liebergen waren even goed, stelde hij ook vast. „De woningen die Dudok zelf had gebouwd, springen eruit. Die van zijn navolgers zijn toch minder, evenals het deel van Liebergen dat na de Tweede Wereldoorlog is gebouwd.”

Ruijssenaars besloot daarom een driedeling te maken bij de vernieuwing van Liebergen. Bij het naoorlogse deel van Liebergen krijgen architecten als Sjoerd Soeters en Kingma Roorda een tamelijk grote vrijheid. In de stukken van Dudoks volgelingen moeten de architecten in de nieuwbouw gebruik maken van soortgelijke elementen als die waaruit de oude woningen bestaan. Voor het deel met door Dudok zelf ontworpen woningen, bepaalde Ruijssenaars dat de nieuwe woningen van dezelfde elementen moesten worden gemaakt.

„Wat maakt Dudoks woningen in Liebergen zo veel beter dan die van zijn volgelingen?” vraagt Ruijssenaars om zelf het antwoord te geven. „Een van de dingen is de klassieke opbouw. Zijn rijtjeswoningen hebben een plint die hen met elkaar verbindt. Daarop staat een stevige middenpartij van metselwerk. Daarboven gebruikt hij een strook slaapkamerramen als kroonlijst. Aan de uiteindes van de rijen woningen heeft hij verticale accenten geplaatst als een soort boekensteunen. Daarachter, op de hoeken van de bouwblokken, zijn lage bouwdelen geplaatst om ook zon in de achtertuinen op de hoek te krijgen. Ik besloot al die elementen exact te hergebruiken in de nieuwbouw, ook omdat de door Dudok ontworpen huizen tot rijksmonumenten zijn verklaard.”

Probleem bij hergebruik van Dudoks elementen was dat de nieuwe woningen groter en anders moesten worden dan de oude. Ruijssenaars loste dit eenvoudig op: hij vergrootte de elementen van de gevels van Dudoks oude woningen iets zodat ze pasten bij de nieuwe huizen. Het resultaat is verbluffend, zo is te zien in het deels vernieuwde Liebergen. Zeker als de nieuwe woningen in bijvoorbeeld de Marconistraat over een paar jaar niet meer brandnieuw zijn, kunnen alleen Dudok-experts met een absoluut gevoel voor verhoudingen nog zien dat het geen oude maar nieuwe Dudoks zijn.

Bewoners, gemeente, opdrachtgevers en de gemeentelijke monumentendienst zijn tevreden over Ruijssenaars nieuwe Dudoks. Maar er is ook kritiek. „In de wijk Liebergen zijn nu te kleine Dudok-woningen vervangen door nieuwe, grotere, in zijn geest”, schrijft architectuurcriticus Jaap Huisman bijvoorbeeld op zijn site over een debat van 16 maart over het nieuwe Liebergen. „Dudok revisited: het is een onthutsende ervaring. Een wijk die niet alleen door mij maar ook door de deelnemers van het debat als benauwend werd ervaren, hoe zorgvuldig alles ook was gedetailleerd en bedacht. Moet je het verleden zo klakkeloos nabootsen, is er dan sinds 1929 niks nieuws onder de zon? Dudoktatuur, noemde een deelnemer de regie van de oude bouwmeester terecht, alsof de stad nog steeds zo wordt geregisseerd dat er geen ruimte is voor iets nieuws.”

Huisman is niet de enige die vindt dat nieuwe tijden nieuwe architectuur behoeven. Zelfs de Rijksdienst voor de Monumentenzorg vond dat Ruijssenaars te dienstbaar was aan Dudoks oude ontwerp: er zou in Liebergen meer ruimte moeten komen voor een ‘eigentijdse signatuur’.

Ruijssenaars is gewend

aan zulke kritiek. Ook toen hij begin jaren negentig van de 20ste eeuw het neogotische hoofdpostkantoor van C.H. Peters bij de Dam in Amsterdam restaureerde tot het huidige Magna Plaza en later de eerste ontwerpen voor de vernieuwing van het Rijksmuseum maakte, kreeg hij veel commentaar. „Bij Peters postkantoor verklaarden velen me voor gek dat ik me inliet met zo’n gedrocht”, zegt hij. „En toen ik aan Cuypers’ Rijksmuseum werkte, vonden verschillende collega’s dat het maar het beste kon worden afgebroken. Ze beschouwden het als een monsterlijk katholiek gebouw. Ik vind dat getuigen van benepenheid. Als je heen kijkt door de ornamenten van het Rijksmuseum, die toch niemand meer begrijpt, zie je een gebouw met een kraakheldere structuur. Het Rijksmuseum is een soort 19de-eeuwse high tech.”

Ruijssenaars staat dan ook ver van de morele verontwaardiging die de restauratie van oude gebouwen oproept. Dat heeft te maken met zijn opvattingen over architectuur. „Het is alsof er twee benaderingen bestaan”, legt hij uit. „Aan de ene kant heb je Beaux Arts-opvatting. Hier gaat het om wat de Engelsen Room noemen, de omsloten ruimte. Aan de andere kant heb je de modernen. Hun gaat het om Space, de vrije, doorlopende ruimte. Tussen beide benaderingen bestaat nog steeds een strijd, zo lijkt het. Als ik bijvoorbeeld het woord symmetrie in de mond neem, beginnen veel van mijn collega’s al te steigeren. Maar ik vind dat beide benaderingen van architectuur bestaansrecht hebben. Voor mij bestaat er geen breuk in de architectuurgeschiedenis, voor mij is de continuïteit van verleden, heden en toekomst vanzelfsprekend. Ik ben een onecht kind van Louis Kahn met zijn Beaux Arts-benadering en van de modernist Johannes Duiker. Ik kijk met een onbevangen blik naar architectuur en beoordeel die op kwaliteit. Daarom heb ik geen enkele moeite met het hergebruik van de basiselementen van Dudok. Hij nam tenslotte ook een positie in tussen de modernen en de Amsterdamse School.”