Tjallings dagboek

Wat vooraf ging: Katja en Tjalling hebben Sebastiaan teruggevonden; het was de rat van Katja. Ze hebben zijn ontvoerder – Grus Zwaardvis – overwonnen. Maar waar hád die Grus het over, voordat hij te pletter viel?

„Dus daar had Grus het over”, zei ik.

Katja stond me aan te kijken.

„Wat?” vroeg ze.

„Dat bedoelde dat griezelige mannetje… Die kracht die ons telkens weer bij elkaar bracht”.

„O!” zei Katja. „Tja”.

Ze bloosde.

„Weet je wat ik bedoel?” vroeg ik. „Hij begreep het niet. Niet helemaal, tenminste. Want hij moet er toch een vaag idee van hebben gehad, ook al was hij dan van speelgoed. Hij moet toch hebben begrepen dat het bestond. Hij had niet voor niks Sebastiaan ontvoerd.”

Katja keek opzij. Daar huppelde Sebastiaan door het gras. Ze ving hem in haar rechterhand.

„Ik weet het”, zei ze.

„Zeg het dan”, zei ik.

„Moet het?” vroeg ze.

„Zeg het nou”, zei ik. „Ik wil het horen.”

„Ik heb dat nog nooit tegen iemand anders dan mijn ouders gezegd.”

„Zal ik het zeggen?”

Katja werd steeds roder.

„Voor mijn part”, zei ze.

„Goed dan”, zei ik. „Ik..”

Op dat moment trilde naast ons de grond. We schrokken. Wat kwam hier nou weer tevoorschijn…?

„Hello amigo’s!” klonken twee vrolijke stemmen.

En daar kwamen twee wormen omhoog.

„Paliseter!” zeiden Katja en ik tegelijkertijd.

„Yessir!” riep een van de wormen. „Wij zijn het! Het leven is mooi!”

„Prachtig mooi!” zei de andere worm.

Ze keken elkaar verliefd aan.

„Wij”, zei de eerste, „wij hebben onze andere helft gevonden!”

Ik grinnikte.

„Zie je!” zei ik. „Er is een kop gegroeid uit het achterste gedeelte. Dat zei ik al. Het gebeurt wel vaker.”

„Wat er precies gebeurd is, weten wij niet”, zei de andere helft. „Maar wij zijn niet meer alleen. Dat weten we zeker!”

„Wij zijn samen!” zei de eerste helft.

„Net als wij”, zei Katja zacht.

En daarmee had ze het eindelijk gezegd.

We klauterden omlaag, naar de zee. Beneden aan de klif lag een boot. Een rare speelgoedboot, natuurlijk, maar hij dreef wel. Paliseter legde uit, dat we langs de kust moesten varen, totdat we bij een trap zouden komen. Een wenteltrap die de wolken in leek te gaan. Als we die zouden beklimmen, zouden we terugkomen in het warenhuis.

„Lieve vrienden, tot ziens!” riep de ene Paliseter.

„En denk eraan: er wordt niet meer gevist met wormen!” riep de andere.

Katja duwde de boot af, ik trok aan het zeil. Gelukkig had ik vroeger wel eens gezeild, op het Tjeukemeer. Ik verlangde weer even erg naar mijn ouders.

Wuivend gleden we weg over de golven. De twee Paliseters riepen nog iets, maar dat konden we niet meer horen.

„Hé!” snauwde Katja. „Hallo! Kijk je voor je uit, Superman! We voeren bijna over een rotspunt!”

Ik keek haar aan. En begon te glimlachen. Katja glimlachte terug.

Oké, ik weet het wel, ze is wat kattig soms. Maar wat er tussen ons is, dat is echt. En dat is mooi. Dat is bijzonder.

Als iets zo echt is, dan hou je vast. Dan blijf je er gewoon aan hangen.

EINDE