Samen zijn we ook best slim

Don Tapscott en Anthony D. Williams: Wikinomics. How Mass Collaboration Changes Everything. Portfolio, 324 blz. € 19,–

Op een dinsdagmiddag, ergens in februari, stond er ineens een demonstrant op de stoep van NRC Handelsblad. Hij bleek abonnee en bovendien deelnemer aan een internetproject van deze krant waarbij lezers samen schreven aan een alternatief regeerakkoord. De man was van zijn woonplaats naar Rotterdam gereden uit verontwaardiging over het feit dat de krant die middag niet het hele alternatieve regeerakkoord, resultaat van een intensief groepsproces van NRC-lezers, had afgedrukt maar slechts een selectie, gemaakt door de redactie. Medewerkers van de krant die het gebouw verlieten, kregen die dinsdag ter plekke een pamflet van de abonnee overhandigd met daarop – alsnog – de hele tekst van zijn groep.

Welkom in de wiki-wereld, zouden Don Tapschott en Anthony Williams wellicht hebben gezegd over dit voorval in de geschiedenis. Passie, betrokkenheid en avontuur horen immers bij het nieuwe internettijdperk, waarover de twee directeuren van een Canadese denktank een meeslepend boek hebben geschreven. Wikinomics. How Mass Collaboration changes everything, beschrijft de opkomst en invloed van ‘wikinomics’ in de economie, de cultuur en de wetenschap.

De term functioneert als een verzamelbegrip dat breder is dan alleen de wiki-software, bekend geworden is van on-line-encyclopedie Wikipedia, waarbij gebruikers gezamenlijk aan een document op internet kunnen werken. ‘Wikinomics is een metafoor voor een nieuw tijdperk van samenwerking en deelname’, schrijven de twee auteurs. Los van de halleluja die vrijwel standaard meekomt in dit type Angelsaksische literatuur, proberen de auteurs op tamelijk zakelijke en inzichtelijke wijze zowel de drijvende krachten als de beperkingen van de nieuwe virtuele samenwerkingsvormen te analyseren.

‘Samen’, een begrip dat bij de nieuwe regeringcoalitie in Den Haag een pregnante politieke vertaling kreeg, is volgens de auteurs een kernwaarde van de nieuwe ‘netgeneratie’, die invloed wil uitoefenen haar omgeving en op geboden produkten. De invloed van deze ‘prosumers’ strekt veel verder dan bekende internetcommunities als Wikipedia, You Tube, Second Life en My Space, waar gebruikers zelf de inhoud van de site leveren. Het wiki-denken dringt ook door tot de raden van bestuur van grote bedrijven, laboratoria van universiteiten en media-organisaties.

Vroege voorbeelden van wikinomics situeren de auteurs in de jaren negentig. Toen begon het Deense bedrijf Lego met het organiseren van Mindstorms. Consumenten die de wereldberoemde legoblokjes tijdens hun jeugd hadden leren kennen, kregen de kans om samen met technici van het bedrijf software te ontwikkelen die de bouwsels in hightech, programmeerbare robotjes omtoverden. Inmiddels is Legoleague – een jaarlijkse competitie tussen deze robotjes en hun jeugdige makers – een ingeburgerd begrip bij veel middelbare scholen over de hele wereld. Recentere voorbeelden van producenten-consumentenwerk zijn BMW en vliegtuigbouwer Boeing die enkele produkten in nauw overleg met reizigersplatforms ontwikkelden.

Tapscott en Williams zijn zich ook bewust van de beperkingen van het wiki-omwenteling. Samenwerkingsverbanden zijn volgens de auteurs vooral bruikbaar voor de informatie-, software, cultuur- en consumentenindustrie. Gespecialiseerde bedrijven waar langdurig en intensief moet worden geïnvesteerd in research, zoals de chemie of de farmacie, zijn veel minder wiki-fähig. Bij het lijstje van vijftig best presterende bedrijven, dat het Amerikaanse zakenblad Business Week onlangs publiceerde, zaten, afgezien van usual champions als Google en Amazon, maar weinig ondernemingen die in Wikinomics een sterstatus hebben. Opvallend is ook dat Europese mediaorganisaties met een hoogwaardige webstructuur, zoals de Britse Financial Times, nauwelijks wiki-activiteiten ontplooien. Bij discussiefora van de krant staat eerder kwaliteit voorop dan participatie.

Zelfs van Wikipedia, de on-line encyclopedie die in de ogen van de auteurs het Godsbewijs levert van goed werkende burgerparticipatie, moet die claim de komende jaren blijven waarmaken. De laatste tijd zijn allerlei ophaalbruggen opgetrokken om vandalen en activisten buiten te houden en specialisten de ruimte te geven. Bovendien kreeg het online-produkt in Amerika steeds meer aanvallen te verduren uit het rechts-conservatieve kamp. Dat betitelde Wikipedia als on-Amerikaans, atheïstisch en vooral ‘zes keer progressiever dan het Amerikaanse publiek’. Na vruchteloze pogingen om lemma’s over bijvoorbeeld evolutie, abortus en homoseksualiteit in Wikipedia veranderd te krijgen, is de activist Andrew Schlafly inmiddels een conservatieve tegenhanger begonnen. Conservapedia.com heeft inmiddels bijna 10.000 lemma’s.

Wat Wikinomics ook mist is een grondige analyse van de gebruikers. Wie zijn die hedendaagse helden van de wiki-cultuur precies? Wie gaan er schuil achter die goedwillende, gepassioneerde en ter zake kundige ‘prosumers’ ? Vorig jaar november deed het NPS-programma Zembla wat dit betreft interessant onderzoek. Het poogde de identiteit te achterhalen van mensen die focusgroepen van opiniebureaus bevolken. Blank, middelbaar tot hoger opgeleid en met tijd over (of in elk geval flexibel met die tijd kunnen omgaan), en deelnemend aan meerdere fora tegelijkertijd, waren enkele van de gevonden kenmerken.

Dit alles reduceert wiki’s echter niet tot een hype of slim pr-instrument. Daarvoor is er op dit vlak de afgelopen jaren met teveel mensen teveel creatief resultaat geboekt. Bovendien passen dergelijke samenwerkingsvormen in het streven van bedrijven om zich meer rekenschap te geven van hun omgeving, zoals bijvoorbeeld ook met maatschappelijk ondernemen wordt geprobeerd. Hetzelfde geldt voor uitvoerende overheidsinstellingen. waar klantgerichtheid al enige tijd het voornaamste streven is.

Terecht constateren de auteurs dat de technologische revolutie ongekende mogelijkheden biedt voor samenwerking en nieuwe creatieve processen. Bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheidsorganisaties zouden wel gek zijn om de creativiteit, deskundigheid en betrokkenheid van hun klantenkring niet te benutten voor verbetering van hun eigen producten.

Daarnaast is het wiki-succes een permanente vingerwijzing voor de media. Daar is de afgelopen jaren betrekkelijk weinig geïnvesteerd in specialisatie en training van eigen personeel. De enige pot van de redactie die aan het eind van het jaar nog niet op is, betreft die voor opleidingen. De journalistiek is teveel blijven hangen in het weliswaar romantische, maar achterhaalde beeld van de generalist, de verslaggever als alleskunner en allesweter. De assertieve, hoogopgeleide lezer vindt dat onder de maat, en trekt – terecht – aan de bel. Of rijdt desnoods naar de redactie.