Opgefokte horzels

Het is die gelukzalige tijd van het jaar, waarin vakantie en vrije dagen elkaar snel opvolgen. De grote hink-stap-sprong van Hemelvaart naar Pinksteren naar zomervakantie is begonnen. Sommigen zoeken ontspanning in Plopsaland of Dolfinarium. Anderen soppen de caravan, bikken het mos van de boot of maken een tochtje langs de Amsterdamse Amstel.

Het is druk op het fietspad langs het water. Rood aangelopen joggers sjokken langs bakfietsen vol plakkerige kleuters („Kijk ’ns pap, die hond heeft écht een groot poepgat.”) Twee nordic-walkende oma’s, met wapperende bovenarmen stappen stevig door. Een baby is in zijn fietszitje in slaap gevallen en hangt ongemakkelijk in het harde plastic. De moeder ondersteunt met één hand een wangetje en laveert met de andere hand haar fiets zo veilig mogelijk door de recreatiefile.

Ook op het water is het druk. Zwetende agenten in een politiesloep manen beschonken schippers om rechts te houden. Een groepje jongens heeft zich verzameld op een steiger en wacht, met breezers in de hand, tot er eindelijk wat misgaat. Een heer in zondags pak werpt verlekkerde blikken op een roodharige studente die zich in het gras heeft gevlijd. Twee fietsende jochies veroorzaken een kettingbotsing door hard op de rem te gaan staan bij het opdoemen van een ijscokar.

Om de tien minuten wordt deze parade van randstedelijk recreatiegenot opgeschrikt door groepen wielrenners, die als zwermen opgefokte horzels gevaarlijk hard komen aanstuiven. Iedereen duikt zo snel mogelijk de berm in. Wie niet vlug genoeg is opgerot riskeert een duw of een snauw. Voor iemand kan protesteren tegen deze brutale ‘shock and awe’-techniek, zijn de racefietsers (in aanstellerig strak tricot, met lelijke Star Wars helmpjes op) allang uit het zicht verdwenen.

Een chihuahua werpt zich keffend uit een fietsmand en hangt hulpeloos spartelend aan zijn halsband langs de bagagedrager. De geschrokken bazin in hardroze trainingspak, bevrijdt haar harige lieveling uit diens stropje en roept met dikke stem naar haar echtgenoot die twintig meter verderop ongeduldig staat te wachten: „Kees, ik wil niet meer, ik vind er helemaal niks meer aan.” „Ach mens”, roept Kees, „ontspan nou toch ’ns.”

Roos Ouwehand