Niet geweten

Vooroordelen zijn er om afgestraft te worden.

Op een regenachtige dag bezocht ik het Leopold Museum in Wenen om vroeg werk van de schilder Egon Schiele te bekijken. In het souterrain liep ook een tentoonstelling over leven en werk van de schrijver Hermann Hesse (1877 – 1962). Maar ik had zo weinig met zijn werk, ik was altijd teruggedeinsd voor passages als: „In uw ziel ligt het hele universum besloten, zo stond daar geschreven, en ook dat de mens in zijn slaap, in het diepst van zijn slaap, de kern van het innerlijk betreedt en in Atman woont.” (Uit: Siddharta.)

Maar het bleef regenen en Hesse lag daar maar in dat souterrain te liggen. Ik ging een kijkje nemen – en was snel verkocht. In de eerste zaal werd een lange documentaire vertoond over Hesses boeiende leven. Zijn jeugd in het Schwarzwald, zijn vlucht uit het seminarie, zijn conflicten met zijn vader, zijn Werdegang van oorlogsvrijwilliger naar pacifist, zijn vestiging in Zwitserland, vanwaar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn Duitse collega’s probeerde te helpen, zijn persoonlijke crises.

Zelden een saai moment in dit leven, waarover ook nog tal van foto’s en documenten te zien waren, zoals die ‘Toegangskaart’ uit 1911 tot het Indonesische Djambi, ondertekend door gezagvoerder B. Schmitz van het schip Brouwer.

Hesse bleek ook een verdienstelijk, maar wat eenzijdig schilder geweest: er hingen talrijke schilderijen, vooral van zijn idyllische Zwitserse woonplaats Montagnola.

Hij was een verwoed brievenschrijver. Alle lezersbrieven beantwoordde hij zelf, in totaal zou hij zo’n 45.000 brieven hebben geschreven.

In de museumshop opende ik een brievenboek van hem, Ausgewählte Briefe, en meteen viel mijn oog op een brief die hij op 1 maart 1946 aan een meneer Wilhelm Schussen in Tübingen had geschreven. De brief begint uiterst vriendelijk („Lieber Herr Schussen, Haben Sie Dank für Ihren lieben Brief vom 14. Febr.”) , maar opeens verandert de toon.

„Door uw brief was ik geroerd, maar ook erg geschrokken. U heeft dus van dat alles niets geweten! Niet dat Hitler door de putsch van München in zijn gevaarlijkheid getoond werd, niet dat hij door uw ‘republikeinse’ autoriteiten vertroeteld werd in plaats van bestraft…”

Hesse heeft zijn lieve heer Schussen bij de keel en laat hem niet meer los. „En toen, vanaf 1935, kon men in uw land geen Kurort voorbijrijden of er stond op grote borden te lezen: „Juden unerwünscht”, om van het overal aangebrachte „Juda verrecke” maar te zwijgen, waarvan iedere niet-blinde de naderende pogroms duidelijk kon aflezen.”

Heeft Schussen die brief nog kunnen uitlezen? Je kunt het je nauwelijks voorstellen. „De meerderheid van mijn vrienden in Duitsland wist ervan” , schrijft Hesse, „velen zijn meteen in 1933 geëmigreerd, anderen zijn in de folterkamers van de Gestapo verdwenen, zoals de familieleden en vrienden van mijn vrouw bijna zonder uitzondering in Himmlers gasovens in Auschwitz etc. verdwenen zijn. En u heeft van dat alles niets geweten! Dat is natuurlijk niet te geloven, want in deze kunst van het niet-weten en het onschuldig-zijn, terwijl men tegelijkertijd tot aan de knieën door het bloed waadt, kan geen ander volk zich ooit verplaatsen.”

Ik kreeg meteen zin om al die andere 44.999 brieven van Hesse te lezen.