Marcel Möring maakt er een potje van

Vorige week hekelde Marcel Möring de literaire ‘dwingelandij’ van Elsbeth Etty. Heeft hij haar wel begrepen?

Goede schrijvers geven er niet altijd blijk van ook goed te kunnen lezen. Marcel Möring maakte vorige week in Boeken een karikatuur van mijn beschouwing over de diverse stadia die in de moderne literatuurgeschiedenis kunnen worden onderscheiden in de verwerking van de Tweede Wereldoorlog.

Möring heeft zich gestoord aan mijn constatering dat rond 1995 na de hausse uit voorgaande decennia een verzadigingspunt was bereikt. Hij stelt dat ik het ‘goed’ vind dat de Tweede Wereldoorlog uit de Nederlandse literatuur lijkt te verdwijnen, omdat ‘het genoeg is geweest’. Maar dat heb ik niet geschreven. Op de vraag of de oorlog uit onze letteren zal verdwijnen, antwoordde ik: ‘Niet helemaal, dat zou namelijk betekenen dat we er klaar mee zijn, wat nooit zal gebeuren’.

Ook valt nergens in mijn artikel te lezen dat er thema’s en onderwerpen zoals de Holocaust uit de literatuur zullen verdwijnen omdat ze opgebruikt zijn. Ik vind het nogal kwalijk mij zo iets in de mond te leggen, terwijl ik alleen maar een fasering in de literaire productie beschreef. Op een incubatietijd na 1945 volgden literaire hoogtepunten van schrijvers als Vestdijk, Van het Reve, Hermans en Mulisch, die geen heldenverhalen schreven, maar gecompliceerde ontmythologiserende romans over de morele dilemma’s die door de oorlog in een brandpunt waren komen te staan. Wat in de jaren negentig ging irriteren, betoogde ik, waren pathetisch overkomende romans van na de oorlog geboren auteurs. ‘Er ontstond wantrouwen tegen zulke boeken. Ze gaven aanleiding tot het ongemakkelijke gevoel dat er werd geschmierd met de oorlog en handel gedreven met de Holocaust.’

Möring veronderstelt kennelijk dat deze passage betrekking heeft op hem omdat zijn recente roman Dis onder meer de verwerking van de Tweede Wereldoorlog tot onderwerp heeft. Nu heb ik zeker het een en ander aan te merken op Dis, maar die kritiek staat los van mijn bezwaren tegen de literaire trivialisering en verkitsching van de oorlog. Dat verwijt heb ik Möring nooit gemaakt. Hij is te lichtgeraakt.

Waar ik me over verbaasde was dat hijzelf nog in 1996 stelde dat ‘de boeken die de afgelopen vijftig jaar over de oorlog zijn geschreven nu zoveel beelden en ideeën en bevestigingen van beelden en ideeën hebben opgeleverd, dat we in het rijk van het cliché zijn beland’. Ik zou zijn reactie op mijn beschouwing vele malen interessanter hebben gevonden, als hij deze gedachte had uitgewerkt. ‘Hoe goed de „oorlogsboeken” van de grote Mulisch, Reve en Hermans ook zijn, nu moeten ze niet meer geschreven worden’, zei Möring elf jaar geleden en ik vond dat hij daarin groot gelijk had.

In plaats van hier nader op in te gaan, juist ook in verband met Dis, dicht hij mij op basis van verdraaide citaten een literatuuropvatting toe waarin ik mij niet herken. Alsof ik vind dat de kritiek voorschriften aan schrijvers zou moeten uitdelen. Ik zou volgens Marcel Möring een ‘pseudo-geëngageerde’ literatuur voorstaan, ‘een sociaal-realisme, maar dan nieuw’, ‘populistisch’ en zelfs ‘stalinistisch’. Alsjeblieft, schrijft hij dan triomfantelijk. Nou, feestelijk bedankt.

De enkele keer dat ik me gemengd heb in discussies over de vraag of de Nederlandse literatuur behoefte heeft aan meer engagement heb ik me altijd op precies hetzelfde standpunt gesteld als Marcel Möring, namelijk dat literatuur niets hoeft en al helemaal niets moet. Vorig jaar schreef ik in een recensie naar aanleiding van een roman over de Bijlmerramp: ‘Al het geroep om meer straatrumoer en engagement in de Nederlandse letteren heeft weinig opgeleverd. Nederlandse schrijvers laten zich nauwelijks door de actualiteit inspireren en misschien is dat maar beter ook. Geëngageerde literatuur in de betekenis van inspelend op ingrijpende gebeurtenissen leidt maar al te vaak tot een platte vorm van sociaal-realisme waarin personages fungeren als etalagepoppen gekleed in ideologische gewaden’.

Möring maakt er een potje van als hij mij het denkbeeld toedicht dat grote schrijvers alleen over hun eigen tijd schrijven. Ik constateerde dat grote schrijvers als Grunberg en A.F.Th. van der Heijden, anders dan Hermans en Mulisch, niet meer de oorlog als referentiepunt hebben, maar de tragedies en mythes van hún tijd. Möring past de simpele truc van de omdraaiing toe en maakt daarvan dat schrijvers van historische of tijdloze romans niet groot kunnen zijn. Zoiets idioots heb ik uiteraard niet beweerd.

Misschien verschil ik maar op één punt met Möring van mening. Voor mij winnen romans aan betekenis als zij mij inzicht in mijzelf en de tijd waarin ik leef kunnen verschaffen. Dat hoeven geen romans over de invloed van 11 september te zijn, al heeft die traumatische gebeurtenis al een weerslag gekregen in schitterende literatuur, zoals Ian McEwans Saturday en Grunbergs Tirza. Wie goed leest kan dat inzicht in zichzelf en zijn eigen tijd ontlenen aan alle klassieke literatuur, van Homerus’ Odyssee tot Philip Roths The Plot against America. Wie in dit laatste boek geen angstvisioen over onze huidige tijd herkent, moet wel stekeblind zijn.

Lees het oorspronkelijke 4-mei-artikel van Elsbeth Etty en de reactie van Marcel Möring op www.nrc.nl/boekenblog.