Mannen zijn sukkels

Sharnush Parsipur: Vrouwen zonder mannen. Vertaald door Asghar Seyed-Gohrab en Gabrielle van den Berg. Bulaaq, 128 blz. € 14,90

Een samenleving zonder mannen is al vaker een gedachte-experiment geweest. Maar als het thema wordt aangesneden door een hedendaagse Iraanse schrijfster, die om die reden verschillende keren gevangen is gezet, krijgt het een verontrustende actualiteit.

Schrijfster en sociologe Shahrnush Parsipur (Teheran, 1946) heeft risico’s genomen. Vanaf de jaren zeventig publiceerde zij romans en verhalen, die harde kritiek leveren op de onvrije Iraanse maatschappij en met name op het gewelddadige, domme en onderdrukkende deel van de bevolking dat man is.

Het nuttige nawoord vermeldt dat Parsipur haar nu vertaalde novelle Vrouwen zonder mannen schreef in Parijs in 1978, het jaar waarin de Islamitische Revolutie in Iran uitbrak. In enkele verhalen sijpelen dan ook elementen van een politiek rumoerige, maar niet nader gedateerde achtergrond door. Toch is Vrouwen zonder mannen geen politiek boek. Geëngageerd, kritisch, feministisch in de oorspronkelijke zin des woords – dat wel. Parsipur presenteert korte scènes uit een geknecht vrouwenleven, soms voorzien van commentaar van een alwetende, soms geestige verteller (‘Het huis is voor de vrouw, de buitenwereld is het domein van de man. Faezeh negeerde hem. Fruit moet vanzelf rijpen’).

Vijf vrouwenlevens passeren de revue, in korte en beeldende zinnen. Alle vijf wordt de kans ontzegd zich te ontwikkelen, alle vijf worden ze beperkt in hun bewegingsvrijheid, de een door een echtgenoot, de ander juist door de beperkingen van de ongehuwde staat, de volgende door de leugens die haar van jongs af aan zijn verteld. Ondanks de vernederingen blijven het sterke vrouwen, zeker in vergelijking met de sukkels door wie ze gekoeioneerd worden. Maar ook de mannen verdienen soms mededogen: de echtgenoot die jarenlang zijn liefde voor zijn vrouw heeft verborgen omdat hij anders afhankelijk van haar zou worden, kijkt éénmaal zijn vrouw aan met een liefdevolle blik. Van schrik duwt zijn echtgenote hem van de trap. Er heerst volledig onbegrip, van beide zijden.

Een van de meest aantrekkelijke en tegelijkertijd meest ontregelende kanten van dit boek is het magisch-realisme dat soms ineens de kop opsteekt. Een vrouw die niets moet hebben van seksualiteit wil dolgraag een boom worden. ‘Ze besloot zichzelf aan het begin van de winter te planten. Ze moest aan een tuinman vragen wat het juiste moment was [...] Dat wilde ze diep in haar hart, en het zijn dit soort verlangens die de mens tot waanzin drijven.’ De andere vier vrouwen ontvluchten hun vrouwonvriendelijke omgeving en nemen hun toevlucht tot een tuin in de stad Karadj, de tuin waar ook de boomvrouw staat. Maar ook zonder mannen wordt het leven van de vrouwen er niet gelukkiger op.