Klem tussen wetten en rituelen

Julian Stryjkowski Foto uitgever

Julian Stryjkowski: Stemmen in het Duister. Vertaald door Karol Lesman. De Geus, 416 blz. €22,50

De angst, om preciezer te zijn de joodse angst, is in het werk van de Pools-joodse schrijver Julian Stryjkowski alom aanwezig. Aan het einde van zijn onlangs door Karol Lesman in trefzeker Nederlands vertaalde roman Stemmen in het Duister (1956) doemt die angst in volle kracht op als de bliksem een niet-joods meisje en een joodse man doodt die samen onder een boom voor het noodweer schuilen. Volgens de niet-joodse inwoners van het dorp in Oost-Galicië, waar de roman zich aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog afspeelt, hebben de joden het meisje met opzet onder die boom gezet en haar dus vermoord. Een achterlijke beschuldiging, zou je zeggen, maar zo primitief ging het er in het begin van de 20ste eeuw nog aan toe in het Habsburgse Rijk en in Rusland, waar vóór 1914 veel joden woonden.

Het komt in Stryjkowski’s roman net niet tot een pogrom, omdat een rabbijn de wraakzucht heeft afgekocht bij de dorpsoudste. Op de dag van de begrafenis van het meisje verzamelen alle angstige joodse mannen zich met hun zonen in de synagoge om te bidden en daarmee het gevaar alsnog te bezweren. Je weet maar nooit. Een pogrom was tenslotte de grootste ramp die je als jood kon overkomen en betekende moord, doodslag en vernietiging van al je bezit. Lees Isaac Babels aangrijpende verhaal De geschiedenis van mijn duiventil.

Julian Stryjkowski (1905-1996) geldt als een van de grootste Poolse schrijvers van de 20ste eeuw. Hij wordt vaak vergeleken met zijn land- en geloofsgenoot Isaac Bashevis Singer, die in het jiddisch schreef en dezelfde thematiek behandelde: de – door de nazi’s vernietigde – wereld van de chassidische joden in Oost-Europa.

De orthodoxe tradities in deze door strenge religieuze wetten geregeerde maatschappij worden er bedreigd door nieuwe stromingen als het zionisme, het socialisme, de vrouwenemancipatie, de drang tot assimilatie. Allemaal middelen om aan het antisemitisme te kunnen ontkomen. Anders dan Stryjkowski verweeft Singer die thematiek meestal met een spannend liefdesverhaal. Maar ook daarin draait het vrijwel altijd om de worsteling tussen het orthodoxe en het moderne, om het ontsnappen aan eeuwenoude tradities en daardoor een gelukkiger leven te kunnen leiden.

Anders dan bij Singer gaat het in Stemmen in het Duister minder om het verhaal, maar meer om de beschrijvingen van die orthodox-joodse wereld. Stryjkowski schildert zo indringend de armoede, de lelijkheid, de eindeloze discussies over recht en onrecht, de afgunst en naijver in de sjtetl, dat je het er benauwd van krijgt. Tegelijkertijd besef je door zijn proza des te meer dat die wetten het enige behoud zijn van de joodse gemeenschap. Assimilatie is er het grootst denkbare taboe.

Een rode draad in het boek wordt gevormd door de lotgevallen van Chamarjem, de zuster van de hoofdpersoon van het boek, het jongetje Aronek. Zij is, tot afschuw van haar familie, uit het orthodoxe milieu gestapt, heeft haar naam veranderd in Maria en werkt als onderwijzeres op een christelijke school. Tegen ieders opvatting in probeert ze haar broertje ook op zo’n school te krijgen, zodat hij Pools leert spreken. Als vervolgens ook nog eens uitkomt dat ze een verhouding heeft met een goj, is ze de risee van de joodse gemeenschap, die zich niet alleen tegen haar maar tegen haar hele familie keert.

En dan is er oom Karol, de geassimileerde broer van haar vader, die de ‘joodse achterlijkheid’ van de sjtetl achter zich laat en niet bang is om zijn kritiek over zijn orthodoxe familieleden uit te strooien. Hij heeft zijn baard afgeschoren, zijn kaftan uitgetrokken en trekt naar Wenen, voor geassimileerde joden in die tijd het ‘Land van de Grote Belofte’.

Het merendeel van de personages leidt echter het leven van zijn voorvaderen, met strenge wetten en gebruiken die je door hun ingrijpende karakter vaak iedere levenslust ontnemen. In de beschrijving van die rituelen blinkt Stryjkowski uit. Zijn boek, waaraan hij tijdens zijn ballingschap in het Moskou van WO II was begonnen en dat pas in 1956 verscheen, is dan ook in de eerste plaats een literair eerbetoon aan een verdwenen wereld. Moge ook zijn verdere werk door Karol Lesman in het Nederlands worden vertaald.