Ik dirigeer het liefst met potlood

Dirigent René Jacobs is op zijn zestigste beroemder dan ooit. Cd’s en dvd’s volgen elkaar op, prijzen stromen binnen. Volgende week dirigeert hij in Rotterdam.

Dirigent René Jacobs foto Éric Larrayadieu René Jacobs (Born: October 30, 1946, Ghent) is a Belgian (Flemish) musician. He came to fame as a countertenor but in recent years has become renowned as a conductor of Baroque and early Classical opera. His recordings have won numerous awards. RENƒ JACOBS, chanteur lyrique et chef d'orchestre belge, nŽ ˆ Gand (Belgique) en 1946,photographiŽ chez lui ˆ Paris, France, pour Harmonia Mundi en dŽcembre 2005. ERIC LARRAYADIEU Photography

Het valt niet mee om de vinger te leggen op de sterrenstatus van countertenor/dirigent René Jacobs. Interviews lees je weinig en in Nederland was hij de afgelopen jaren zelden te beluisteren. Maar dat wordt beter. Volgende week leidt Jacobs in De Doelen eenmalig een concertuitvoering van Rossini’s opera Tancredi. Volgend seizoen volgt ook zijn langverwachte debuut bij De Nederlandse Opera; met het Freiburger Barockorchester begeleidt hij dan de reprise van Händels Giulio Cesare in de regie van Karl-Ernst en Ursel Hermann.

Aan Jacobs dirigeerstijl valt weinig bijzonders te zien. Neem de dvd-opname van Mozarts Le nozze di Figaro door Concerto Köln (2004). Jacobs dirigeert zonder stokje, duim en wijsvinger in een ringetje – als een muziekjuf. Maar je ziet dat hij de muziek simultaan in zijn hoofd meezingt, erin opgaat. De gebaren zijn ondergeschikt. De dvd van Monteverdi’s Orfeo in de enscenering van Trisha Brown toont hetzelfde. Jacobs zuigt zijn lippen naar binnen en eist onmiddellijke concentratie van de blazers. Maar zijn armgebaren staan in geen verhouding tot de tribale onstuimigheid die klinkt.

Merkwaardig genoeg is Jacobs, de meest gevraagde en vernieuwende barokdirigent ter wereld, geen geboren barokliefhebber. „Mijn eerste liefde was Schubert”, bekent hij lachend. „De dirigent van het kathedraalkoor waarin ik zong begeleidde me óók dikwijls in het Duitse lied. Tijdens een van die sessies liet hij me luisteren naar Die schöne Müllerin door een jonge Dietrich Fischer-Dieskau. Op het hele Duitse liedrepertoire ben ik verliefd geworden. Ik heb het zelf ook veel gezongen.”

Jammer dat u met die liefde nu niks meer kunt, als dirigent.

„Oh, maar naar Schubert kom ik ooit terug! Zijn symfonieën en opera’s zijn ook geniaal. Ik beschouw mijn uitvoeringen van de symfonieën en oratoria van Händel als stations op weg naar Schubert.”

Voor wie wil horen maar ook wil zien hoe René Jacobs zingt, denkt en dirigeert, voegde Harmonia Mundi de documentaire René Jacobs – entre fantaisie et rigeur toe aan een jubileum-cdbox ter viering van hun dertigjarige samenwerking. „Muziek is de reden dat ik besta, de lucht die ik adem”, zegt Jacobs in de film, wandelend door zijn geboortestad Gent, nostalgisch rondblikkend in de Sint-Baafskathedraal waar hij zijn leven in en met de muziek als 10-jarige jongenssopraan begon. Zijn moeder infecteerde hem verder met liefde voor muziek, ook al haatte hij zijn pianolerares („Die tikte me op de vingers als ik niet goed speelde”) en was ook zijn eerste opera – „de Cavalleria Rusticana van Mascagni: alles wat ik háát aan muziek” – geen succes.

Jacobs voltooide eerst een studie klassieke talen; zijn ouders vonden muziek geen echt vak. Simultaan ontwikkelde hij zich als zanger in Brussel en Den Haag. Jacobs’ loopbaan in de muziek moest vervolgens wel lopen via de barok. Zijn sopraan groeide uit tot een natuurlijke countertenor – een stemtype dat nu eenmaal in die stijlperiode floreerde. Hij las traktaten over barokzang en kwam op het spoor van onbekende componisten als Antonio Cesti. „Zijn opera L’Orontea interesseerde me zo dat ik die zelf wilde uitvoeren”, zegt hij. Het concert betekende Jacobs’ dirigeerdebuut – aanvankelijk nog als een derwisj zijn aandacht verdelend tussen het dirigeren en het zelf zingen. De opname was succesvol, en in zijn agenda verschoof het zwaartepunt langzaamaan van zingen naar dirigeren.

Een kille zaterdagavond

in de Staatsoper unter den Linden in Berlijn. Jacobs dirigeert hier een voorstelling van Monteverdi’s Orfeo in de regie van Barry Kosky. Voor Jacobs is diens bereidwilligheid het instrumentele aandeel door te trekken naar het podium een droom; musici achter de bühne verklanken de hemel, uit de bak klinkt de stem van de hel. Maar verder is de productie een zware zit. Dat Orpheus is uitgedost met een vilthoedje is vergeeflijk, dat het lijk van Euridice als lappenpop uit de lucht komt vallen, niet.

Voor Jacobs vormt de samenwerking met operaregisseurs niet zelden een struikelblok, vertelt hij. „Dat een regisseur geen noten kan lezen, komt vaker voor. Maar het is óók veelvoorkomend dat een regisseur zelfs het libretto niet serieus heeft bekeken. Als je wilt begrijpen wat de librettist en de componist voor ogen stond, moet je terugkeren naar de bron, en zo diep mogelijk doordringen in wat er in de noten en de tekst staat geschreven. Maar veel regisseurs lezen de tekst slechts oppervlakkig en verzinnen er dan, voilà, ‘een nieuw concept’ bij, dat ze er dus feitelijk met de haren bij sleuren.”

De samenwerking met Vincent Boussard, met wie Jacobs in Innsbrück en Wenen Mozarts Don Giovanni bracht, bewijst hoe het anders kan. „Zelfs bij Don Giovanni zijn we begonnen met het hardop lezen van het libretto. Meteen al, op het titelblad, viel me op dat Don Giovanni wordt omschreven als ‘un giovane cavaliere estremamente licenzioso’ – een liederlijke jongeman. Dus ben ik gaan napluizen wie die rol zong bij de wereldpremière, en inderdaad: een 21-jarige, en dus niet de belegen playboy die tegenwoordig wordt gecast. Als je de tekst vanuit die kennis opnieuw leest, valt op dat Don Giovanni weliswaar probeert iedereen te verleiden, maar dat niets hem echt lukt. Wij hebben dus ook een zeer jonge zanger aangetrokken. Don Giovanni bleek een soort James Dean geworden, schreef een criticus. Maar die moderniteit komt uit de bron, niet van ons. Dat is de paradox: als je echt probeert door te dringen in een libretto, is de kans groot dat je stuit op iets wat ook in onze tijd fel aanspreekt. Het nieuwe ligt in het oude besloten.”

Met Boussard realiseerde Jacobs in Brussel ook een zeer succesvolle productie van Francesco Cavalli’s volslagen onbekende barokopera Eliogabalo. Op zijn eigen, typerende manier. Bij de eerste voorbereidingen was Eliogabalo weinig meer dan een uit een bibliotheek opgediept, schetsmatig manuscript. Jacobs werkte het handschrift uit en voegde – zoals Cavalli voor oren stond – partijen toe. Uiteindelijk klonk Eliogabalo als een ten onrechte vergeten, meeslepend meesterwerk.

Maar veel animo voor zulke projecten is er niet. Het pionierswerk van de Muntopera in Brussel is uitzonderlijk. Datzelfde geldt voor de onbekende opera’s die Jacobs zomers leidt in Innsbrück, op het festival waarvan hij artistiek leider is. „Het is de tragiek van barokopera dat alle operahuizen zich blind staren op Händel”, beaamt Jacobs. „Er is weinig bereidheid onbekende stukken op te voeren. In Innsbrück kan veel, daar doen we dit jaar Der geduldige Socrates van Telemann. Maar elders is Duitse barokopera een lacune. Het is schandalig hoe weinig opera’s van Reinhard Keiser (1674-1739) worden opgevoerd. Ik heb een voorzet gegeven met Croesus, en dat was zo’n succes dat ik nu wel meer Duitse barok geprogrammeerd zie in de Duitse operahuizen. Maar in verhouding met Händel is het niks. Zelfs een geniale tijdgenoot van Händel als Scarlatti hoor je nooit.”

Hoe verklaart u dat?

„Intendanten durven het niet aan. Gerard Mortier, intendant in Parijs, kent Monteverdi zelf slecht en hoedt zich er dus voor diens opera’s te programmeren. In het Theater an der Wien in Wenen werkt intendant Roland Geyer. Hij vroeg mij voor barokopera, dus heb ik Conti’s Don Chisciotte in Sierra Morena voorgesteld. Maar hij wilde liever iets beroemds. Dus: wéér een Giulio Cesare van Händel. En daarna de Orfeo van Gluck. Ik heb mijn hoop nu gevestigd op de derde titel.”

Gedurende zijn werk in Berlijn

woont Jacobs met zijn echtgenote en persoonlijk assistente Roubina Saidkhanian in de wijk Mitte, pal achter de Staatsoper. Twee maanden moeten ze hier blijven: de duur van de voorstellingen van Monteverdi’s Orfeo en een double bill met de Mariavespers en Il combattimento di Tancredi e Clorinda. Toch is Monteverdi dit voorjaar het belangrijkste noch opmerkelijkste deel van Jacobs’ agenda. Woensdag begint hij in Rome aan een grote concerttournee met Rossini’s opera Tancredi, en daarmee begeeft hij zich als dirigent voor het eerst op negentiende-eeuws terrein. „Ik bewandel met zekere maar langzame schreden de weg van de muziekgeschiedenis”, lacht hij. „Rossini markeert voor mij een eindpunt van een vocale evolutie die bij de barok begint. Tancredi is in feite een late opera seria; de muziek stikt nog van de improvisaties, het versieren en variëren van de aria’s wordt van de zangers geëist. Dat beginsel is hetzelfde als bij Händel. Twintig jaar geleden kon ik niet bevroeden dat ik ooit Mozart-opera’s zou dirigeren. En nu maak ik van Mozart een stapje verder naar Rossini. Waar die weg ophoudt – ik weet het niet. Maar ik sluit niets meer uit; Verdi noch Wagner. Al is Tancredi voorlopig mijn eindpunt. Mijn agenda staat niet meer toe. Althans, niet goed. En ik werk alleen op mijn eigen voorwaarden. „Doorgewinterde Rossini-zangers schermen graag met het woord ‘traditie’, maar Rossini moet veel geraffineerder worden uitgevoerd dan traditie is. Het slot van grote aria’s begint met een langzaam gedeelte en eindigt snel, waarna een slotcadens volgt die een paar keer wordt herhaald. De bedoeling in Rossini’s tijd was dat die herhaling met steeds meer vuurwerk werd versierd. Nu worden de herhalingen veelal door het orkest gespeeld, waarna het orkest aan het einde even stopt, en de zanger een hoge noot recordlang aanhoudt. Dát is dan traditie. Vulgair! En niemand kan bewijzen dat dát de originele praktijk was.”

Hoe zullen Rossini-specialisten uw Tancredi waarderen?

„Wat ik doe, is vloeken in de kerk. Ik ben voorbereid op alle soorten reacties, juíst in Italië. Fabio Biondi heeft in Parma een Norma gedaan op authentieke instrumenten. Tijdens de ouverture schreeuwden mensen dingen als ‘onmogelijk!’, of: ‘wat zijn dat voor instrumenten?’ Ik ben dus zeer benieuwd naar ons eerste concert in Rome.”

Voor wie Jacobs alleen kent

als dirigent, is de kennismaking met zijn verleden als countertenor even veelzeggend als roerend. Op de tweede track van de jubileum-cd René Jacobs by himself, Monteverdi’s O quam pulchra es, plooit Jacobs’ stem zich soepel naar alle virtuoze schilderingen van schoonheid. Zijn aanpak als zanger van Bach en Schütz ademt dezelfde levendigheid als even later de door hem gedirigeerde opnames van barok tot Haydn en Mozart. Zanger en dirigent zijn hoorbaar dezelfde. Het slotfragment is afkomstig van Jacobs’ opname van La clemenza di Tito, de derde meervoudig onderscheiden Mozart-opera die Jacobs op cd vastlegde.

„Harmonia Mundi wil dus door met Mozart”, vat Jacobs samen. „Eerst Idomeneo, daarna een tweede cd met symfonieën.” Wat er daarna komt, weet Jacobs zelf niet. „Ik ben geen dromer, ik studeer liever hard op de stukken die ik uitvoer. Daardoor dring ik dieper door in de muziek die ik uitvoer dan veel collega’s. Ik ben filoloog; ik wil ieder woord, elke noot, alle betekenissen doorgronden. Alleen zo krijg je inzicht in de poëtische en de muzikale structuur. Neem de recitatieven in een opera. Dat is geen proza, dat zijn verzen! Toentertijd was dat vanzelfsprekend. Nu reageren zangers soms vol ongeloof; moeten we de tekst samen spellen eer ze me geloven.”

Dat maakt het des te opmerkelijker dat u niet kiest voor gespecialiseerde zangers.

„Ik geloof steeds minder in de meerwaarde van specialisten. In de Orfeo die ik nu dirigeer wordt de titelrol gezongen door Stéphane Degout. Geen specialist, maar een jong, flexibel en intelligent zanger die ik zelf bij zijn de kennismaking met Monteverdi heb gecoacht. Die stem ‘zit’, zo goed dat hij zelfs de beruchte aria Possente spirto met alle snelle keelloopjes mooi zingt. Sommige ‘specialisten’ hebben voor die coloraturen een pseudotechniek gevonden, waarvan het resultaat klinkt als een kakelende kip. Intuïtie, vocale dispositie, gevoel voor stijl en sfeer zijn veel belangrijker dan een gespecialiseerde achtergrond.”

Zingt u zelf überhaupt nog?

„Alleen op repetities. Maar ik heb nooit officieel gezegd dat ik stop met zingen, zo min als ik bewust met dirigeren ben begonnen.”

U heeft in feite dus ook geen echte technische achtergrond als dirigent.

„Ach, ik mis zoveel dingen; ik voel me een eeuwige student. Anderzijds: een dirigent die van jongs af aan slagtechniek heeft gestudeerd, heeft daarom nog geen ideeën. Soms is een te gladde techniek ook een belemmering om expressief muziek te maken. Ik zie niet in wat ingewikkeld draaien met een baton toevoegt. Ik dirigeer het liefst met een potlood.”

‘Tancredi’ o.l.v. René Jacobs, 25/5 De Doelen, R’dam. Res.: (010) 2171717 of www.dedoelen.nl Meer info/discografie: www.harmoniamundi.com