Hugo de Grootste

Een nieuwe, uitmuntende biografie van Hugo de Groot, humanist, dichter en bijbelexegeet, is een mijlpaal in het onderzoek naar de Nederlandse Gouden Eeuw.

Henk Nellen: Hugo de Groot. Een leven in strijd om de vrede, 1583-1645.Balans, 829 blz. € 45,–

Deze biografie van Hugo de Groot of Grotius, zoals hij buiten de Nederlandstalige wereld vooral bekendstaat, is een zorgvuldig en grondig maar ook zeer doordacht werk op basis van uitmuntend onderzoek. Een groot aantal geleerden heeft de afgelopen twee eeuwen de aandacht gevestigd op De Groots blijvende betekenis als humanist, filoloog, dichter, bijbelexegeet, christelijk commentator en bovenal feitelijk grondlegger van de wetenschap van het internationaal recht en voornaamste pleitbezorger van het begrip natuurrecht. Maar slechts weinige van de vele studies geven zelfs maar bij benadering blijk van de diepgaande kennis van het zeer omvangrijke gepubliceerde en ongepubliceerde bronnenmateriaal over De Groots leven, werk en opvattingen die spreekt uit Henk Nellens nieuwe biografie. Niemand heeft De Groot beter in zijn historische context geplaatst dan Nellen, die werkzaam is bij het Huygens Instituut. Als zodanig mag dit boek een mijlpaal heten, niet alleen in het De Groot-onderzoek, maar ook in onze visie op de Nederlandse Gouden Eeuw als geheel.

In enkele gevallen zou je Nellen misschien kunnen aanwrijven dat hij op nogal wat punten te zeer op details ingaat. Anderzijds heeft dit voor de lezer het voordeel dat de oordelen en conclusies van de auteur zeer genuanceerd, zorgvuldig en weloverwogen zijn – een voordeel dat ruimschoots opweegt tegen de hier en daar wat minder scherpe contouren. Bijzonder waardevol is dat hij aantoont dat De Groots bestendigste en ogenschijnlijk universele bevindingen heel specifieke historische grondslagen hebben. Dit is een heilzame vingerwijzing voor advocaten, kenners van het internationaal recht, politicologen en dergelijken, en voor de gewone lezer, dat zelfs de breedste, meest abstracte juridische beginselen in uitgewerkte vorm altijd voortkomen uit specifieke historische situaties. En dat ze buiten hun concrete historische context nooit goed verklaarbaar of begrijpelijk zijn.

De Groots zeer invloedrijke en lang nawerkende verhandeling over de vrijheid van de zeeën bijvoorbeeld – zijn Mare liberum van 1609 – mag dan van universele betekenis zijn door haar in elegant Latijn gepresenteerde betoog dat geen aards gezag het recht heeft het vrije gebruik van de open zeeën in te perken, ze is wél geschreven op verzoek van de VOC. Ook is de publicatie ervan aan de vooravond van het Twaalfjarig Bestand om politieke redenen enigszins opgehouden door Van Oldenbarnevelt, omdat ze uitdrukkelijk bedoeld was als weerlegging van de pauselijke verdeling van de Indiën tussen Spanje en Portugal bij het Verdrag van Tordesillas (1494). Ook was ze een rechtvaardiging van de Nederlandse handel en scheepvaart op Oost-Indië, die toentertijd fel werden betwist door de Spaanse en de Portugese kroon. De tekst werd door alle aanhangers van de Spaanse monarchie en het Spaanse rijk als volstrekt subversief beschouwd, en door Engelse politici en diplomaten, die de algehele suprematie over de Noordzee en de andere zeeën rond Groot-Brittannië opeisten, als een kras geval van hypocrisie.

De Groot was niet rechtstreeks betrokken bij de in 1607-1609 gevoerde onderhandelingen over het bestand. En ofschoon hij in grote lijnen Van Oldenbarnevelts voorkeur voor een vrede of bestand deelde, was het toch slechts schoorvoetend, en ondersteunde hij intussen krachtig de status en de aanspraken van de VOC. Spoedig na het aanbreken van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) tussen Spanje en de Verenigde Provincies, publiceerde De Groot, eerst in het Latijn en vervolgens in het Nederlands, een boekje van zeventig pagina’s waarin hij de politieke theorie uiteenzette waaraan hij heeft vastgehouden zolang hij actief betrokken bleef bij de Nederlandse politiek. Dat wil zeggen tot in de jaren dertig van de 17de eeuw. Ook die belangrijke tekst, het Liber de antiquitate reipublicae Batavicae, is voort gekomen uit een heel bepaalde, complexe politieke situatie, waarbuiten het standpunt dat De Groot inneemt eenvoudigweg niet te begrijpen valt. Hij verdedigde namelijk met vuur een eigenaardige vorm van aristocratisch republicanisme dat nauwelijks berustte op abstracte principes, maar wel op een eigenzinnige interpretatie van de specifieke geschiedenis van de Nederlanders en van de juridische achtergrond van de Opstand.

Feitelijk was De Groots republicanisme in vrijwel ieder opzicht opmerkelijk pre-verlicht en pre-modern, vooral in de zin dat hij in grote lijnen de legitimiteit accepteerde van de monarchale en aristocratische hiërarchische wereld waarin hij schreef, en in de wijze waarop hij de legitimiteit van de Verenigde Provincies hecht verankerde in de mythe van de ‘ouderdom’ van de Nederlandse republikeinse constitutie. Daarbij ging hij hoogst selectief, om niet te zeggen dubieus met zijn bronnen om. Hierbij past zijn strikt institutionele opvatting van soevereiniteit: soevereiniteit was iets dat hij nooit aan het volk zou toekennen, en dat zou hem in de 18de eeuw – althans op dit punt – de vijandschap bezorgen van niet alleen Rousseau, maar van heel de democratische, egalitaire stroming, inclusief de bekwaamste theoretici onder de radicale leiders van de Nederlandse patriottenbeweging.

Wat zijn republicanisme aangaat – en dat geldt ook voor het niet veel later gepubliceerde Reglement uit 1615, waarin hij opriep tot maatschappelijke segregatie en verlies van burgerschap voor de in Holland woonachtige joden – is er uiteraard een zeer scherpe tegenstelling tussen De Groot en de andere grote Hollandse denker van de Gouden Eeuw: Spinoza. Bezien wij De Groots inzichten in historisch perspectief, en zijn standpunt in een zeer leerzame, zij het nogal schrille tegenstelling met de visie van Spinoza, dan blijkt telkens weer dat er goede, ja zelfs onomstotelijke redenen zijn om te onderstrepen hoe door en door modern Spinoza was waar het ging om de kernwaarden van de westerse moderniteit. Want De Groots opvattingen lijken in grote trekken verankerd in het monarchale, maatschappelijk hiërarchische, uiteindelijk theologisch bepaalde wereldbeeld van het ancien régime. Het is dus in hoofdzaak pre-verlicht van aard, al kan Nellen gelijk hebben als hij stelt dat er een belangrijke rechtstreekse lijn van theorieën over verdraagzaamheid en het verband met soevereiniteit loopt van De Groot naar het – al evenzeer ondemocratische – politieke denken van Pierre Bayle.

Zoals valt af te lezen aan De Groots vroegste theologische verhandeling, Meletius, een werk dat pas in 1984 is herontdekt, was hij al in een vroeg stadium van zijn loopbaan een vurig pleitbezorger van de verdraagzaamheid. Hij betreurde de maatschappelijke schade die was aangericht door overmatige geloofsijver en door de interne verdeeldheid die niet alleen de remonstranten en de contraremonstranten van elkaar scheidde, en de katholieken van de protestanten, maar die ook de Grieks-orthodoxe en de overige oosterse kerken scheidde van het Westen. Om de in zijn ogen algehele catastrofe waardoor de hele christelijke wereld geteisterd werd tegen te gaan en uiteindelijk, zo hoopte hij, ongedaan te maken, verkondigde De Groot consequent de suprematie van de staat over de kerk inzake vele dogmatische en alle organisatorische kwesties. Ook drong hij erop aan de essentiële dogma’s van het christendom zoveel mogelijk te beperken, en tevens op die gemeenschappelijke basis van kernbegrippen te streven naar een hereniging van de kerken.

Die kernpunten van de leer zijn voor hem altijd van het grootste belang gebleven, niet alleen als geloofsartikelen, maar ook als sociale en morele grondslagen, die hij beschouwde als het allerbeste, niet alleen uit het christendom en de recente wetenschap, maar ook uit de ethiek, de literatuur, de natuur- en andere wetenschappen en de filosofie van de antieke wereld. Deze grote vereerder van de vroege kerk was in zijn diepste wezen een christelijk denker, die zelfs vasthield aan dogma’s die hem enigszins verwijderden van de socinianen, voor wie hij een in de loop der jaren allengs sympathie was gaan koesteren. Desalniettemin werd hij een christelijk denker die anders dan al zijn tijdgenoten bereid was tot bepaalde ingrijpende stappen naar een waarlijk egalitaire en seculiere kijk op de samenleving, dus naar een wereldbeeld waarin iedereen, gelovig of ongelovig, gelijkwaardig is, ongeacht wat zij al dan niet beweren te geloven, en ongeacht hun levenswijze.

Het spreekt vanzelf dat De Groots aanhouding ten tijde van de staatsgreep van prins Maurits in 1618, zijn berechting, zijn hechtenis in slot Loevestein en ten slotte zijn ontsnapping in maart 1621, nog geen maand voor het einde van het Twaalfjarig Bestand, gevolgd door zijn lange ballingschap in Frankrijk, een diepgaande uitwerking hebben gehad op zijn leven en werk. Toch kan niet gezegd worden dat die traumatische gebeurtenissen de contouren van zijn denken, of zijn grondbeginselen, in aanzienlijke mate hebben veranderd. Ondanks de schokkende wendingen en keerpunten die zijn politieke loopbaan en zijn leven kenmerkten, is hij zijn voornaamste opvattingen in grote lijnen trouw gebleven. In 1622 publiceerde hij zijn Verantwoordingh van de wettelicke regieringh van Hollandt, waarin hij als vanouds zijn zuiver seculiere opvatting van de soevereiniteit, haar suprematie over het religieuze domein en in alle kerkbestuurlijke aangelegenheden, en zijn aristocratisch-republikeinse opvatting van de Verenigde Provincies uitdroeg.

De Groots tot op heden bekendste en mogelijk belangrijkste juridische werk, De iure belli ac pacis, is in 1625 gepubliceerd in Parijs, terwijl in Duitsland volop de verschrikkelijke Dertigjarige Oorlog woedde en in en rond de Lage Landen het Nederlands-Spaanse conflict was hervat. Vol afgrijzen over het bloedvergieten en alle verwoestingen deed De Groot zijn best om gedetailleerder en systematischer dan al zijn voorgangers te bepalen wat precies de aanleiding kon vormen tot een ‘rechtvaardige oorlog’ (namelijk ernstige schendingen van rechten onder het natuurrecht, inclusief religieuze vervolgingen), en om onrechtvaardige oorlogen en barbaarse oorlogshandelingen te definiëren en hun verwerpelijkheid aan te tonen. Ook liet hij zien hoe respect voor de natuurlijke rechten een hechte basis kon krijgen en hoe een duurzame vrede tot stand kon komen. Als grondslag voor zijn criteria en definities, inclusief zijn onwettigverklaring van de executie van ketters, distilleerde hij uit grote hoeveelheden antieke, middeleeuwse en vroegmoderne teksten een opvatting van het natuurrecht als iets volstrekt wederkerigs, onveranderlijks, seculiers en eeuwigs. Het natuurrecht omvatte een geheel van rechten en plichten die verankerd zijn in het eigenbelang, en die ook gelden voor mensen die menen dat God niet bestaat of die stellen dat God zich niet inlaat met wat er in deze wereld gebeurt. Ofschoon De Groot zelf zijn best deed om zijn theorie van het recht te integreren in een christelijke ethische context, krijgt zijn maatschappelijke en politieke denken toch vooral hier een uitgesproken modern karakter, dat hem verbindt met Hobbes, de gebroeders De La Court en de Franse encyclopédistes van halverwege de 18de eeuw, maar ook met Spinoza.

Van grote betekenis zou ook de rest van de 17de eeuw en heel de 18de eeuw De Groots bijbelkritiek blijven. Enigszins in de traditie van Erasmus, maar beslist heel anders dan alle andere schriftuitleggers van na de Reformatie – op Scaliger na – deed hij geen poging om zijn aanpak te baseren op zijn persoonlijke confessionele overwegingen en gevoelens. Het ging hem erom de oorspronkelijke betekenis van woorden en zinsneden te achterhalen, om zo de authentieke betekenis van de tekst te herstellen zoals deze was begrepen in de eerste eeuwen van de kerk, toen naar zijn mening de fundamentele eenheid van het christelijke geloof nog niet was aangetast. Daarom verklaarde hij termen en uitdrukkingen uit het Nieuwe Testament in de context van de gebruiken en doctrines waarvan sprake was bij de kerkvaders en in de beschikkingen van de eerste kerkconcilies. Daarbij schonk hij speciaal aandacht aan filologische kwesties en hield hij rekening met mogelijke corruptie van de tekst, met varianten en met informatie die kon worden afgeleid uit de oudste vertalingen. Tevens trachtte hij de dogmatische inhoud van het geloof te vereenvoudigen en te minimaliseren, terwijl hij toch ook sterk de nadruk legde op de ethische aspecten en vereisten ervan.

Zijn door en door wetenschappelijke benadering resulteerde op een aantal punten in conclusies die nogal afweken van de toenmalige communis opinio over de christelijke Bijbel. In de eerste plaats leidde zijn originele, filologisch-historische werkwijze ertoe dat de tot dan toe veronderstelde nauwe band tussen het Oude en het Nieuwe Testament een stuk losser werd. Voor De Groot, ofschoon geen hebraïcus, was duidelijk dat het Nieuwe Testament ongeacht zijn pretenties tekstueel noch historisch een voortzetting is van, of nauw verbonden is met het Oude Testament. Het kan dan ook niet dienen om duistere passages uit het Oude Testament te verklaren. De Groot hechtte daarom niet veel waarde aan verwijzingen in het Nieuwe Testament naar het Oude. In plaats daarvan legde hij de nadruk op de inherente aanspraken, de wonderbaarlijke inhoud en de legitimiteit van het Nieuwe Testament zelf.

Ook hier is de vergelijking met Spinoza weer leerzaam. In Spinoza’s bijbelexegese, waarin al het wonderbaarlijke wordt geloochend, verliest de tekst van de Schrift volkomen zijn vroegere karakter van goddelijke oorsprong. Dat is bij De Groot duidelijk niet het geval. Maar de goddelijke inspiratie achter de tekst, en de erin verhaalde wonderen, werden door De Groot wel op een radicaal nieuwe manier opgevat, en op een wijze die paal en perk stelde aan het door God geïnspireerde, wonderbaarlijke karakter. Zijn exegese ontdeed met name de feitelijke bewoordingen van de tekst van hun mystieke karakter, zodat de lezer niet meer, zoals voorheen, wordt geacht de schijnbaar letterlijke betekenis van de Bijbel te vereren als iets dat op zich al bovennatuurlijk is, dat alleen door een hoger gezag geheel kan worden verklaard, en dat boven iedere verdenking van tekstuele corruptie is verheven.

Tegelijkertijd tastte De Groot de betekenis van het Oude Testament voor de praktijk en het geloof van het christendom aan, doordat hij een groot deel van de wonderen afdeed als natuurlijke gebeurtenissen die als wonderen waren voorgesteld. De Groot was er ten diepste van overtuigd dat het christendom de ware godsdienst was, maar volgens hem werd dat geloof voor de mens niet gerechtvaardigd door zogenaamde openbaringen of wonderen, of door een of ander institutioneel of a priori vaststaand tekstueel gezag, maar door de naar zijn mening evidente geloofwaardigheid van het Nieuwe Testament, waarvan de morele waarheid en de onloochenbare wonderen met de menselijke rede konden worden beoordeeld, getaxeerd en getoetst.

Tot besluit van zijn voortreffelijke studie herinnert Nellen ons aan de originele, hoogst invloedrijke elementen in het denken van De Groot, die hij afschildert als een eminent pleitbezorger van de vrede, zowel in kerk en staat als internationaal. Als denker mag hij dan misschien met één been in het verleden hebben gestaan, met het andere stond hij overduidelijk in de toekomst. Heel toepasselijk roept Nellen op zijn laatste bladzijde De Groot samen met Rembrandt en Spinoza op grond van hun internationale, blijvende betekenis uit tot de drie grootste Nederlanders van de Gouden Eeuw. Ik denk dat het niet onjuist is om dat drietal samen met Erasmus te bestempelen tot de vier grootste Nederlanders aller tijden.