Het is nog niet te laat

In 1988 stond vast dat het Museumplein in Amsterdam drastisch overhoop gehaald zou worden, ‘op de schop genomen’, zoals de mensen het toen ook al noemden. Bange voorgevoelens maakten zich van menigeen meester. Een plein als dit is meer dan een onderdeel van de stad. De meeste schatten van onze Gouden Eeuw zijn in het Rijksmuseum opgeborgen. In die tijd ontleende het Stedelijk Museum zijn faam ook aan de erfenis van Willem Sandberg die de naoorlogse avant-garde naar Amsterdam heeft gebracht. Het Stedelijk was wereldberoemd. In 1973 werd het Museum Vincent van Gogh, min of meer naar het ontwerp van Gerrit Rietveld voltooid. En dan hadden we natuurlijk al het Concertgebouw, ook wereldberoemd. Dit Museumplein kon niet meer kapot. Dat had je gedacht.

Weer had de geest van de verandering zich van de hoofdstad meester gemaakt. Omdat de ervaring met het Waterlooplein en het Frederiksplein al ruimschoots had geleerd dat je zulke projecten niet helemaal aan de deskundigen kunt overlaten, en ook om het volk de gelegenheid te geven zijn stem te laten horen, heeft deze krant toen een prijsvraag uitgeschreven. Ontwerp het nieuwe Museumplein. In NRC Handelsblad van 27 oktober 1988 werd gemeld dat er meer dan 200 ontwerpen waren binnengekomen. Traditionalistische, avant-gardistische, ludieke, alle genres. De prijsvraag bracht geen oplossing maar bewees in ieder geval dat het probleem leefde. Er werd een tentoonstelling gehouden. Ik herinner me één inzending. De ontwerper wilde er een vulkaan neerzetten. De enige vuurspuwende berg in Nederland.

Het volk had geen invloed. Deze hele openbare ruimte werd op een ongelofelijke manier op een reuzenschop genomen, naar het plan van Sven-Ingvar Andersson, die de bijnaam ‘de Deense tuinkabouter’ kreeg. Omwonenden, buurtverenigingen, andere deskundigen liepen te hoop. Niets hielp. Het gigantische graafwerk begon. Het Lindenlaantje werd omgehakt. Het Van Gogh kreeg er een vleugel bij naar het ontwerp van de Japanse architect Kisho Kurukawa. Toen het allemaal klaar was en het gras opgekomen zag het er mooi uit, maar ik vreesde het ergste als de onvermijdelijke horden feestvierders de ruimte zouden annexeren. Die vrees bleek gegrond. Ik heb er twee weken geleden op deze plaats een stukje over geschreven.

Daarop heb ik veel reacties gekregen. Men is weer op zijn hoede. Een voorstel, van Robert van Rensen, gaat vergezeld van een plattegrond van het nieuwe plein, dat dan twee vijvers heeft. Die achter het Rijksmuseum blijft bestaan. De tweede, groot en rond, wordt wat zuidelijker van het midden gegraven. In de toelichting verwijst hij naar de grote vijver in de Jardin du Luxembourg in Parijs. „Als om beide vijvers huurstoelen worden gezet en de kinderen kunnen er ook speelgoedzeilbootjes huren, dan moet dit een levendig plein worden.” Ik citeer uit de begeleidende tekst.

Dit is nu juist het probleem. De Jardin du Luxembourg is een van de meest poëtische openbare ruimten ter wereld, een mengsel tussen park en plein. De bootjes moet je huren, de stoelen zijn gratis. In Nederland zou dit een Mekka voor stoelendieven zijn; in Parijs blijven ze allemaal staan. Schreeuwende voetbalsupporters heb ik er nooit gezien. Het is een ruimte zoals Claude Monet geschilderd zou kunnen hebben.

In Amsterdam loopt een plein altijd het risico het terrein van een hossende menigte of een paar duizend tierende voetbalsupporters te worden, of het werkterrein van vandalen, zoals de ervaring met de beeldengroep van de Nachtwacht op het Rembrandtplein bewijst. Daarom nooit De Aardappeleters in drie dimensies bij het Van Gogh. Op het ogenblik kunnen de pleinen dienen voor de pret, de sport, de politiek, de kunst, het nationaal belang. Probeer deze functies te scheiden. Sport in de Arena, kunst op het Museumplein. Haal daar die flauwekulslagzin I amsterdam weg. Zet er geen reclameborden neer. Dat wekt niets dan misverstand. De kunst is gevarieerd genoeg. En misschien is het voor deze krant weer eens tijd, een prijsvraag uit te schrijven.