Geen echt onderwijsonderzoek

Het onderzoek dat de Kamer instelt naar de vernieuwingen in het onderwijs, belooft een fopspeen te worden, betoogt Jaap Dronkers.

Er komt dus toch een parlementair onderzoek naar de onderwijsvernieuwingen, ondanks de oorspronkelijke tegenstand van het CDA en van de bestuurders in de onderwijssector. Die vonden bijna allemaal dat zo’n onderzoek niet nodig was, omdat zij ‘al wisten wat de problemen waren’, ‘omdat de kwaliteit van het onderwijs helemaal niet gedaald was’ en ‘omdat ze al druk bezig waren in goed overleg de problemen op te lossen’.

Dat er toch een onderzoek komt, moet dus wel het gevolg zijn van druk van buiten: ouders, leerkrachten, columnisten en pressiegroepen zoals Beter Onderwijs Nederland. Langzaam nam de weerstand af en ten slotte besloot de Tweede Kamer om een parlementair onderzoek onderwijsvernieuwingen in te stellen.

Maar als men het besluit goed leest, blijkt dat het onderzoek over geheel iets anders gaat dan de buitenwacht denkt. Waarover gaat het dan? „Het onderzoek richt zich op de besturingsprocessen rond de implementatie van onderwijsvernieuwingen. De commissie wenst inzicht te verwerven in succes- en faalfactoren van recente en lopende onderwijsvernieuwingen om daarmee lessen te trekken voor toekomstige aanpassingen in het onderwijs.”

Allereerst betekent dit dat de huidige problemen van het onderwijs niet of slechts terloops aan de orde zullen komen. Het onderwerp is immers ‘de besturingsprocessen rond de implementatie van onderwijsvernieuwingen’, met andere woorden: niet de inhoud van de onderwijsvernieuwingen en ook niet de manier waarop die werden ingevoerd, maar alleen de wijze waarop die invoering door de overheid ‘aangestuurd’ werd.

Het parlementair onderzoek gaat zich dus in hoofdzaak richten op handelingen onder de Haagse stolp – heel interessant voor bestuurskundigen of politicologen, maar het onderwijs heeft daar niets aan. Geen enkel probleem van het onderwijs wordt erdoor opgelost, in het beste geval alleen bepaalde problemen in de werkwijze van parlement en regering.

De laatstgenoemde problemen zijn nog drie jaar geleden door de tijdelijke commissie infrastructuurprojecten onder leiding van Adri Duivesteijn, onderzocht. Enkele citaten uit het rapport van deze commissie: „Zelden vroeg de Tweede Kamer door op de aangeleverde informatie en vrijwel altijd werd de verkregen informatie geaccepteerd. Daardoor kon het kabinet op gezette tijden wegkomen met te optimistische presentaties (...) en met het niet leveren van relevante informatie over het projectverloop.” En: „De belangrijkste ministers in het kabinet waren van begin af aan voor de aanleg. Ze zagen wat ze wilden zien en hoorden wat ze wilden horen.”

Het lijkt mij dat deze citaten uit het rapport van de commissie-Duivesteijn ook van toepassing zijn op ‘de besturingsprocessen rond de implementatie van onderwijsvernieuwingen’. Een nieuw parlementair onderzoek dat zich opnieuw tot besturingsprocessen van de overheid beperkt (maar nu die bij onderwijsvernieuwingen), doet het werk van de eerdere commissie alleen maar over.

Bovendien heeft het werk van de commissie-Duivesteijn geen enkel inhoudelijk gevolg gehad voor de twee grote projecten die zij onderzocht (de Betuwelijn en de HSL-Zuid), ondanks het feit dat zij een ernstig falen constateerde. De overeenkomst in de opdracht van beide onderzoeken belooft dus niet veel goeds.

Verder blijkt uit de bijlagen van het Kamerbesluit dat de commissie voornamelijk gaat kijken naar de invoering van de basisvorming en de Tweede Fase. Het is merkwaardig dat de commissie zich hiertoe beperkt. Allereerst omdat beide vernieuwingen in feite mislukt zijn en door recente wetswijzigingen ook niet meer relevant zijn voor het huidige onderwijs. Men gaat dus iets onderzoeken dat in de oorspronkelijke vorm niet meer bestaat en waarvan de uitkomsten niet meer relevant zijn voor het huidige onderwijs.

Ten tweede zit er een logische fout in de opzet van het onderzoek. De parlementaire commissie moet inzicht verwerven in succes- en faalfactoren van recente en lopende onderwijsvernieuwingen. Maar als men niet zowel succesvolle als mislukte onderwijsvernieuwingen gelijktijdig bestudeert en vergelijkt, is het onmogelijk de factoren op te sporen die tot hun succes en falen hebben geleid. Als de ene mislukking alleen met een andere mislukking vergeleken wordt, kan men nooit de factoren die tot hun falen hebben geleid goed vaststellen. Het rapport zal daarmee zelfs voor zijn beperkte doelstelling onbruikbaar zijn.

Kan de commissie dan niet zelf een bredere vraagstelling kiezen? Daarvoor heeft zij aanknopingspunten in de tweede bijlage van het Kamerbesluit. In die bijlage wordt plotseling ook gesproken over de „kwaliteit van het onderwijs”, „een goede balans tussen het opdoen van kennis enerzijds en het aanleren van vaardigheden anderzijds”, de „relatie tussen schaalvergroting, bovenschools management, lumpsum en onderwijsvernieuwingen”. Maar deze passages staan los van de centrale opdracht van de commissie. Ze lijken alleen maar te verwijzen naar de maatschappelijke aanleiding tot het parlementair onderzoek. Het is daarom onwaarschijnlijk dat de parlementaire commissie zelf haar werkterrein zal bijstellen.

Deze pessimistische interpretatie wordt gesteund door het verloop van het wel zeer korte Kamerdebat over de instelling van dit parlementair onderzoek. Er was maar één Kamerlid dat het woord voerde over het voorstel. Dat Kamerlid klaagde over de beperkte opzet van het parlementair onderzoek naar de onderwijsvernieuwingen, en wel dat alleen de overheidsaansturing van vooral de basisvorming en de Tweede Fase daarin aan de orde zou komen. Hij werd door geen enkele ander Kamerlid tegengesproken en zijn beperkte voorstel werd unaniem aangenomen. Dat ene Kamerlid werd vervolgens lid van de commissie met deze beperkte opdracht.

Daarom stel ik voor dit onderzoek voortaan anders te noemen. Het kan beter de naam dragen van ‘Parlementair onderzoek naar het functioneren van het ministerie van Onderwijs bij onderwijsvernieuwingen’. Maar daardoor is het wel een fopspeen geworden.

Prof.dr. J. Dronkers is verbonden aan het European University Institute in Florence.

Dit is de verkorte tekst van een artikel in het Onderwijsblad dat morgen verschijnt: www.aob.nl/doc/hob_dronkers.doc