Eindelijk op de voorgrond

Hij geniet vooral de reputatie van zorgzame echtgenoot. Maar na Virginia’s zelfmoord stond het leven van Leonard Woolf niet stil.

Victoria Glendinning: Leonard Woolf. A Life. Simon & Schuster, 530 blz. €43,–

Wie zich een foto voorstelt van de Bloomsbury Group, het literaire en artistieke gezelschap waarover iedereen het had in het Engeland van de jaren dertig en waarover niemand is uitgepraat, zal om te beginnen Virginia Woolf opmerken. Daar staat zij, of zit zij, omlijst door haar zuster Vanessa, door Clive Bell en Duncan Grant en Lytton Strachey, Roger Fry en Maynard Keynes, David Garnett, G.E. Moore, E.M. Forster en een aantal andere bekenden die erbij pasten zonder er bepaald toe te behoren. En wie is die grijze magere peinzende man linksachter, die kijkt alsof hij met zijn gedachten elders verblijft? Dat is Leonard Woolf, de echtgenoot, een onvermoeibaar denkende man, hoewel lang niet zo beroemd als zijn vrouw.

Het enige wat iedereen wel weet van Leonard Woolf is dat hij voorbeeldig voor haar zorgde wanneer zij weer eens psychisch ingestort was en een paar weken van de buitenwereld afgeschermd moest worden. Hij wist wat hem te wachten stond toen hij in 1912 met haar trouwde. Hij had het al een keer meegemaakt, en de ervaring is vele malen herhaald in de 29 jaar van hun huwelijk. Een vaste aanleiding was de verschijning van een nieuw boek van haar, waar zij slecht tegen kon zowel om wat zij er zelf van vond na de voltooiing als om wat er over geschreven zou worden.

Die aanleiding was er ook weer in 1941 toen zij Between the Acts voltooid had en haar laatste twee brieven schreef, een aan Vanessa en een aan Leonard, over haar onmacht om verder te leven. ‘If anybody could have saved me, it would have been you’. Dit laatste bericht stond op 28 maart op de schoorsteenmantel, en Virginia was weg; onvindbaar ook in de rivier de Ouse waar zij gezocht werd en pas na drie weken gevonden zou worden door een groep tieners die zaten te picknicken .

Leonard Woolf was in 1880 geboren in het kinderrijke gezin van een welgestelde joodse advocaat in Londen. Toen hij dertien was stierf zijn vader en ging het gezin er financieel op achteruit, wat hem niet belette om in Cambridge te studeren en gekozen te worden voor het streng beperkte gezelschap van de Apostles. In 1904 afgestudeerd, werd hij aangenomen voor de Colonial Service, en naar Ceylon gestuurd zoals Sri Lanka toen heette. In 1911, met verlof in Londen, verwachtte hij zijn carrière in de dienst voort te zetten. Dat ging niet door toen hij Virginia Stephen ontmoet had. In afwachting van haar ja-woord schreef hij een kleine roman, A Village in the Jungle, over het leven van de Ceylonezen in hun oerwoud, een werk met een verwonderlijk begrip voor vreemde denkvormen, dat hoewel nooit wijd verspreid ook niet vergeten is, en dat onlangs in een nieuwe editie is uitgekomen (bij Eland, in 2005).

Na hun huwelijk woonde het echtpaar in een reeks kleine huizen in Zuid-Engeland waar Virginia aan haar eerste roman werkte en Leonard een stroom progressief gestemde artikelen publiceerde en een paar boeken over internationale samenwerking (International Government, 1916; Europe and Commerce in Africa, 1920). Tegen het eind van de oorlog begonnen zij samen een kleine uitgeverij die nooit bepaald groot geworden is maar wel aanzienlijk, onder meer door het werk van Virginia. Het kantoor was vanaf 1919 gevestigd in hun eigen huis, Monks House in Sussex.

In de loop van de jaren tussen de oorlogen ging het steeds beter, zowel met de zaken als met het aanzien dat de twee eigenaren als schrijvers genoten. Dat is natuurlijk niet het enige waar de biografie van Victoria Glendinning over gaat; hun persoonlijke leven is ook van de andere (Virginia’s) kant gezien altijd een onderwerp van nieuwsgierigheid en verbazing geweest.

Seksueel samenleven deden zij niet; daar kon Virginia niet tegen, hoe dol zij ook was op haar echtgenoot. Een seksuele relatie heeft zij toch wel gekend, zoals iedereen weet die ooit over haar gelezen heeft: een lesbische, met Vita Sackville-West, getrouwd met Harold Nicolson, die zijn aandacht op mannen gericht had.

Er zijn ook geen verhalen over avonturen van Leonard Woolf met vriendinnen; was hij misschien, zoals wij nu streng zeggen, undersexed ? Vrouwen lieten hem in elk geval niet onopgemerkt. Dat bleek pas goed na de dood van Virginia, toen hij nog bijna dertig jaar door leefde. Uit die tijd dateren vele verhalen over belangstellende vrouwen. Het verbazende is dat Woolf toen al gauw weer een vaste relatie had, een vrouw die alles voor hem doen wilde, of tenminste de helft van alles, want seks was er niet bij. Dat zij zich tot de helft bepaalde kwam doordat zij getrouwd was met een man wiens gezelschap zij ook niet versmaadde, een directeur van een uitgeverij die zelf een tijd lang wél een vriendin had die mee naar bed ging.

Er is dus best iets over seks te leren uit de levensgeschiedenis van Leonard Woolf, en dan vooral over de terughoudende kant. Wie alleen in de ondernemende kant geïnteresseerd is kan de aandacht beter richten op andere leden en oude vrienden van de Bloomsbury Group: daar was altijd genoeg te beleven.

Misschien zal er tenslotte ook over Woolf zelf meer gehoord worden. Glendinnings verhaal ziet er niet uit alsof alles erin verwerkt is,maar over de relatie met die vrouw van na de oorlog, die zo enthousiast en intens was, moet meer te vertellen zijn – ook al speelde die zich niet in bedden af. Dit vermoeden wordt versterkt doordat deze biografie, de eerste over Woolf, soms een uitstekende beheersing toont van de onafzienbare massa persoonlijke, politieke en literaire gegevens, maar op andere punten te veel vertelt over personen en relaties die er niet toe doen, en weinig over anderen over wie zich juist vragen opdringen.

Intussen – in afwachting van iemand die meer over Woolf gaat schrijven – is het indrukwekkend wat er allemaal over hem is op te steken. Ook als zijn leven na Virginia aan de orde komt, gaat het niet alleen over de intieme kant: de stroom van publicaties werd voortgezet, de redactie van het aanzienlijke tijdschrift Political Quarterly zou een hoofdstuk op zichzelf rechtvaardigen, al de andere lezingen en bijdragen van Woolf zouden op een rij gezet kunnen worden; en tenslotte zou de vijfdelige autobiografie die hij in de jaren zestig gepubliceerd heeft ook nog eens grondig besproken moeten worden.

Dat gaat niet allemaal zomaar. Wat Glendinning in ieder geval heeft bereikt is dat het beeld van Woolf als een stille man op de achtergrond van een groepsportret niet overeind zal blijven. Wat zou het de moeite waard geweest zijn om deze man te spreken, of te horen spreken, zal menig lezer denken. Jammer genoeg is hij in 1969 gestorven, op zijn 89ste.