Een walrus in de woestenij

Anne Provoost: In de zon kijken. Querido, 204 blz. € 18,95

Het maakt Anne Provoost niet uit hoe men haar boeken wil noemen. Zij schrijft graag over jonge mensen, vertelde ze in interviews, maar die ziet ze niet per se als haar publiek. Haar vijfde boek, In de zon kijken, wordt nu gepresenteerd als haar eerste roman voor volwassenen. Zij zelf ziet dat dan ook als een extra aanprijzing van de uitgever. Er valt inderdaad niet veel verschil te ontdekken tussen deze roman en haar jeugdboeken. Bondige, suggestieve stijl. En een trage, omzichtige manier van vertellen. Beklemmende sfeer. Ook inhoudelijk passen Provoosts boeken bij elkaar. Stuk voor stuk zijn ze gewijd aan jongeren die ergens mee tobben. Met incest, zoals in Mijn tante was een grindewal (1990). Met begrippen als goed en fout, zoals in Vallen (1994). Of met de vraag waarom de ene mens uitverkoren zou zijn en de ander juist niet, zoals in De arkvaarders (2001).

Chloë Vanderweert, de jeugdige hoofdpersoon en verteller van In de zon kijken, krijgt veel tegenslag. Ze woont met haar ouders en zus op het Australische platteland. Haar vader verdient weinig aan zijn boerenbedrijf en probeert het gezinsinkomen aan te vullen met de verkoop van zelf gestookte citroenjenever. Het brouwsel brengt geen winst maar ellende. Tijdens een door drank overgoten kwarteljacht valt hij van zijn paard – en sterft. Moeder rouwt om haar man. Maar zij rouwt ook om haar slechte ogen: ze wordt blind. Daardoor kan ze niet meer fotograferen en dreigt het leven haar te ontglippen. De oudste dochter gaat in de stad wonen. Moeder en Chloë blijven achter in de bush, waar ze elkaar angstvallig in de gaten houden, uit vrees voor de totale leegte. Totdat moeder ten slotte haar liefde voor het buitenleven opgeeft en een verstandige beslissing neemt.

Het verhaal over de relatie tussen moeder en dochter, die elkaar gevangen houden, is intrigerend, maar erg hoekig van opzet. In korte, symboolzwangere zinnen wordt veel verzwegen. De moeder probeert greep te houden op de wereld door de elementen te trotseren en het licht op te zoeken. Chloë daarentegen probeert juist weg te kruipen voor de buitenwereld: te veel wind, lucht, zee, zon, zand en stof. Zij zit het liefst binnen, met haar speelgoed. Terwijl de een haar ogen openspert om nog iets te kunnen zien, leeft de ander met geknepen blik.

Op den duur beginnen de vele verwijzingen naar ogen, oogbollen en ooglapjes, naar kijken, zien en staren te vervelen. Dan gaat ook opvallen, en hinderen, dat Provoost de dingen zelden bij de naam noemt. Chloë huilt niet. Nee: ‘Er vallen druppels uit mijn neus. Mijn ogen lopen vol’. Ook het vertelperspectief is weinig overtuigend. Chloë is ongeveer acht jaar oud, want zij heeft nog melktanden en speelt met schapen van plastic en een gebreide ezel. Maar ze heeft de woordenschat en het observatievermogen van een volwassene.

Lastiger is nog dat de tragische moeder en haar zielige dochter, hoe liefdevol ook beschreven, een beetje saaie, contourloze figuren blijven. Ze zijn net iets te gewoon. Zelfs als Chloë aangeschoten raakt omdat ze stiekem drinkt van de huisgestookte jenever, blijft ze samenhangend praten, denken en observeren. De dames hadden wel wat vreemder en minder beheerst mogen zijn. Dat had de benauwenis van hun uitzichtloze verblijf in de Australische leegte mogelijk kunnen verdiepen. Nu scheer je er door al die afgepaste formuleringen die de narigheid net iets te veel op afstand houden.

Wat mij zal bijblijven van In de zon kijken is een enkele passage. Zoals die waarin de moeder een halfslachtige poging tot zelfmoord doet. Ze probeert in haar nachtjapon kopje onder te gaan in een zompige kreek. Als ze betrapt wordt door Chloë, rijst ze als een walrus weer op uit het water, onder de modder en onder het kroos. Haar hulpeloosheid wordt mooi laconiek samengebald in deze verzuchting: ‘Nu moet ik dit weer allemaal uitleggen, hè’. Zulke tragikomische accenten mis je in deze roman die net iets te degelijk en iets te volwassen is om over te kunnen juichen.