De zaligheid van hengelen

‘Tussen de raderen’ van Hermann Hesse is heruitgegeven. Wat te doen met het boek waar je als puber mee dweepte? Verstoppen? Dapper herlezen?

Hermann Hesse: Tussen de raderen (Unterm Rad). Vertaald door M. en L. Coutinho. Atlas, 192 blz. € 18,50

Er zijn van die boeken waar je maar liever niet meer aan herinnerd wordt. Tussen de raderen van Hermann Hesse was er voor mij zo een. Ooit had ik ermee gedweept. Het ging over een ongeveer vijftienjarige verwarde puber, ongelukkig, zoekende, raar en eenzaam. Dat sloot goed aan bij de ongeveer vijftienjarige, verwarde, ongelukkige, zoekende, rare en eenzame puber die ik zelf toen was. Het was het eerste boek dat ik van Hesse las. Daarna zou ik, zo had ik me voorgenomen, de rest gaan lezen, waarbij ik mezelf, om hongerig te blijven, de bekendste titels als laatste had beloofd. Dat waren Siddharta en De steppewolf. Maar na enkele van zijn minder bekende romans had ik het eerlijk gezegd wel gehad met Hesse. Ik was begonnen met andere schrijvers te dwepen. Ik zat net in mijn Huxley-periode. En, na het voortijdig afbreken daarvan, ging ik snel verder met mijn Marnix Gijsen-periode. Van het lezen van Siddharta en De steppewolf is het nooit meer gekomen. En ik wilde liever ook niet meer herinnerd worden aan mijn Hesse-liefde, en al helemaal niet aan Tussen de raderen, met dat naïeve hippie-omslag in kindertekeningstijl, in alle kleuren van de regenboog, met in de verte een boerderijtje met een rood dakje en omhoog kringelende rook uit het schoorsteentje. Tussen de raderen belandde dus snel onderin een oude doos.

Ik durfde het boek pas onlangs te gaan terugvinden, toen ik las dat het opnieuw, maar nog steeds in de oude vertaling van M. en L. Coutinho, zou worden uitgebracht. Zou het nog te lezen zijn? Eerste verrassing: ik was bijna alles vergeten. Tweede verrassing: ik bleek mij niettemin enkele details woordelijk herinnerd te hebben. Derde verrassing: ik bleek het eigenlijk nog steeds, of opnieuw, een heel goed boek te vinden. Maar, vierde verrassing, het begint wel als een slecht boek. ‘Joseph Giebenrath, tussenhandelaar en agent, onderscheidde zich door geen enkele voortreffelijke eigenschap of hoedanigheid van zijn medeburgers.’ Dat is de eerste zin, en daarmee zitten we al meteen in het bekende schema van kritiek op de brave burgerman. ‘Hij dronk een stevig glas bier maar was nooit dronken’, ‘hij was lid van de Vereniging van Burgers’, ‘zijn innerlijk leven was dat van een droogstoppel.’ Een volledig inwisselbare figuur dus.

Daarmee is meteen ook een van de zwakheden van de roman genoemd: het denken in schema’s, stereotypen en krasse tegenstellingen. Daarbij hoort een klassieke alwetende verteller die dwars door de hoofden van zijn personages kan kijken, de bodem van hun ziel kan peilen en daar enorm stellig over kan rapporteren. Dit is het psychogram van modelburger Joseph Giebenrath, in taaie zinnen: ‘Ook het diepst van zijn ziel, het sluimerend wantrouwen jegens iedere sterkere kracht en persoonlijkheid en de instinctieve, uit afgunst gegroeide vijandigheid ten opzichte van alles wat niet alledaags, vrijer, verfijnder, spiritueler was, had hij gemeen met alle andere huisvaders van de stad.’ Daar moet natuurlijk iemand tegenover komen te staan. Dat is zijn zoon Hans, die ons met even grote stelligheid wordt voorgesteld als royaal verheven boven de burgerlijke middelmaat: ‘begaafd’, een ‘talent’, een ‘genie’, met ‘ernstige ogen’, ‘een voorname tred’ en ‘een intelligent voorhoofd’.

Lyrische lofzang

Een matig begin dus, maar na een paar bladzijden schiet ineens het vuur erin, als de commentaarstem zwijgt en we in het hoofd van de jongen belanden en de wereld door zijn ogen gaan bekijken. De arme Hans heeft vele weken binnen moeten zitten om zich voor te bereiden op een toelatingsexamen, maar mag nu dan eindelijk even een uurtje gaan wandelen door zijn dorpje. Als hij op de brug naar het water staat te kijken en zich herinnert hoe hij hier zwom en roeide en hengelde, zien we hem in vervoering raken. Het verleden stroomt zo zijn hoofd binnen, waarna hij zich verliest in een lyrische lofzang op het hengelen. ‘Ach, hengelen! Dat was hij nu ook bijna verleerd en vergeten, en afgelopen jaar had hij bittere tranen geplengd toen het hem werd verboden omdat hij moest werken voor zijn examen. Hengelen!’ En hij zingt zich in zijn gedachten nog verder los van de alledaagse werkelijkheid. ‘Hier had hij gestaan, in de dunne schaduw van de wilgen, omhuld door het ruisen van de watermolen, bij het diepe, rustige water! En het spel van licht en schaduw op de stroom, het lichte deinen van de lange hengel, de opwinding als hij beet had en dan het inhalen en die eigenaardige blijdschap als je zo’n koele, dikke, kwispelende vis in je hand voelde!’

Het is nog maar een klein deel van een lange hengelpassage, zoals er wel meer zijn in het boek. Ze lopen over in meeslepende liefdesverklaringen aan het adres van bossen, bloemen en dieren, uitzichten en wolkenluchten. In dit soort sfeerbeschrijvingen is Hesse erg goed: de bladzijde loopt ineens vol met ontroering, vervoering, ontboezeming. Het geeft een blik in de binnenwereld van de gevoelige jongen, die het moet zien uit te houden tegenover een veeleisende buitenwereld.

Die buitenwereld is meestal de wereld van de school, in het bijzonder het seminarie waar Hans belandt. Tussen de raderen is dan ook, behalve een hengelboek, een echte schoolroman. Dat betekent: aandacht voor de kleine samenleving die een internaat is, met zijn schoolse rituelen, angst voor leraren, gedoe over huiswerk en medeleerlingen, eerzucht en faalangst, bezorgde ouders en het verlangen naar vakanties. En dat speelt zich dan af in een oud, groot, donker, midden in de bossen gelegen klooster, dat ook nog eens door een strenge directeur wordt geleid. Veel sfeer, veel geheimzinnigheid, veel spanning. Zoals in de passage waarin de hele klas in de vrieskou, als het al begint te schemeren, in de bossen op zoek moet naar een vermiste scholier. Hij blijkt door het ijs van een meertje te zijn gezakt. In het besneeuwde riet wordt hij op een draagbaar gelegd. ‘De seminaristen stonden als schuwe vogels angstig er omheen, staarden naar het lijk en wreven hun blauwe, stijve vingers.’

Het is allemaal erg droevig, maar tegelijkertijd ook op het sentimentele af. Bijna kitsch. Ik denk dat daarin een van de aantrekkelijkheden van deze roman schuilt, zeker voor dweperige pubers. De clichés liggen voortdurend op de loer. Tot de dramatische hoogtepunten behoort de schuchtere liefde die onze Hans opvat voor zijn medestudent Hermann Heilner. Tegelijk scheert deze vriendschap voortdurend langs de randen van het belachelijke. Hermann is net als Hans erg begaafd en gevoelig, maar hij heeft er geen last van. Hij is het prototype van het trotse genie dat zijn eigen gang gaat. En hij is ook nog eens een dichter. ‘Het gerucht ging dat hij zijn opstel voor het staatsexamen in hexameters had geschreven.’ Zo’n jongen. Hij zwerft door de bossen en leest daar verzen, bij voorkeur aan de oever van een meertje. ‘Hier kon hij dromerig met een takje kringen trekken in het stille water (...) en, liggend in het lege oeverriet, peinzen over herfstige onderwerpen als sterven en vergaan.’

Wolken

Hans treft hem daar een keer terwijl hij Homerus ligt te lezen. Hij mag naast hem komen liggen. Hans verzucht dan: ‘Wat een mooie wolken!’ En Hermann voegt daaraan toe: ‘Ja, konden we maar een wolk zijn!’ Alweer weet ik niet goed of ik er om mag lachen of niet. ‘Dan zouden we daar boven zeilen, over bossen en dorpen en districten en provincies heen, net mooie schepen’ droomt Hermann. Is hij een nep-poëet, of toch een echte romantische ziel, lijdend aan het leven? Voor de schrijver Hesse is het wel duidelijk. Deze getalenteerde jongen wordt gefnuikt. Deze dichter heeft driften en emoties die zich al snel niet meer binnen het gareel van het internaat laten dwingen. Hij besluit zijn eigen gang te gaan: hij loopt weg, en mag niet meer terugkomen.

Zijn vriend Hans blijft alleen achter. Hij doet nog wel een wanhopige poging om zich opnieuw aan het strakke regime te onderwerpen, maar hij kan het niet meer opbrengen. Hij wordt ziek en overspannen, gaat aan duizeligheden en absenties lijden. ‘Nu lag het opgejaagde paardje langs de weg en was onbruikbaar geworden.’ Voor Hesse is opnieuw wel duidelijk wie de schuldigen zijn: de school, de leraren en de vader die in hun barbaarse eerzucht ‘dit broze wezen’ tot wanhoop hadden gedreven.‘Waarom had hij in de gevoeligste en gevaarlijkste jongensjaren elke dag tot laat in de avond moeten werken?’ En, een nog benauwdere vraag: ‘Waarom hadden ze hem zijn konijntje afgenomen?’

Met onze Hans loopt het niet goed af. Hij moet, net als Hermann, de school verlaten. Hij keert terug naar zijn dorp, blijft alleen, valt ten prooi aan zwaarmoedigheid en doodsverlangen, zoekt de zelfkant op, leert de heteroseksuele liefde kennen, maar wordt ook in die liefde bedrogen, en eindigt als leerling-bankwerker die na een dag stappen beneveld in het water belandt en verdrinkt, al dan niet gewenst. Het verhaal is snel verteld en de conclusie ligt voor de hand: wie te veel druk op gevoelige zielen uitoefent, maakt ze stuk. Het systeem vermaalt zijn talenten tussen de raderen.

Tussen de raderen zal wel bedoeld zijn als een sociaal-kritische roman, een aanklacht tegen een pedagogisch drilsysteem, maar ik heb het boek toch vooral beleefd als een portret van de puberziel: een psychologisch logboek van wisselende stemmingen, een komen en gaan van gevoelens, aandriften, sferen en dagdromen, tot op de laatste bladzijde onvoorspelbaar. Het is achteraf gemakkelijk om te zeggen dat deze roman laat zien hoe een groot talent teloorgaat en aan lager wal raakt, maar zo eenvoudig is het toch ook weer niet. Het had volgens mij niet veel gescheeld of Hans Giebenrath had alsnog berust in zijn nieuwe bestaan als bankwerker. En dan was hij misschien op een dag toch weer een konijnenhok gaan timmeren en een hengel gaan snijden om bij de brug opnieuw te gaan vissen. Misschien was hij dat wel van plan toen hij die avond met zijn dronken kop aan de oever stond. Wie zal het zeggen? Het is een van de zeldzame momenten waarop de alwetende verteller even zwijgt. Net op zo’n onbewaakt ogenblik is Hans eruit gestapt. Gelukkig maar. Het is de puberale grilligheid die in deze roman uiteindelijk de regie heeft behouden.