De roze lucht

Zanger en theatermaker Daniël Samkalden (28) besteedt het geld dat hij won met De Eerste Prijs aan een reis langs vier wereldsteden. Voor het Cultureel Supplement doet hij verslag. Vandaag de vierde en laatste etappe: Berlijn.

Rozen op de snijtafel van de afdeling pathologie in het voormalige concentratiekamp Sachsenhausen foto AP Rosen liegen auf einem Seziertisch der Pathologie des ehemaligen Konzentrationslagers Sachsenhausen, rund 60 Kilometer noerdlich von Berlin, am Sonntag, 13. April 2003. Ehemalige Haeftlinge und Besucher gedenken am 58. Jahrestag der Befreiung des Lagers ihren Kameraden, die in dem Lager von den Nazis ermordet worden sind. (AP Photo/ Jan Bauer) Associated Press

4 mei in Sachsenhausen is de apotheose van mijn bezoek aan Berlijn. Drie weken slenterde ik hier door oorlogsmusea, langs nazi-architectuur en over koperen gedenkplaatjes met joodse namen. Nu loop ik met een witte tulp naar de kuil waar in dit concentratiekamp de massa-executies plaatsvonden. De lucht is roze. Zwermen muggen zweven onder de oude bomen. De mensen schuifelen fluisterend door het gras, verder is het stil. Midden op het terrein hangt een verloren Nederlandse vlag halfstok. Het is mijn laatste avond. Morgen vertrek ik in de vroegte terug naar huis.

Later, achter in een barak, leun ik tegen de verwarming en luister naar een oude man. Voor hem liggen papieren met een uitgeschreven verhaal. Soms buigt hij zich naar voren en leest, maar als hij opkijkt overvallen hem herinneringen. „...en we werden natuurlijk kaal geschoren. Ook onze wenkbrauwen en ook ons schaamhaar. Dat was hier vlakbij...” Hij denkt na. Luistert naar lang geleden. „Het was raar om zo tegenover m’n vader te staan.” Ik kijk naar buiten. Een groene, weidse vlakte, in de verte een muur, wachttorens en de avondzon. De herinneringen van de oude man kabbelen voort, soms goed en soms minder goed te verstaan. Er hoeft geen einde aan te komen. De lucht is schoon en zwaar als een loom lichaam na een lang bad.

„Denk je aan de tijd, Wim?” onderbreekt iemand. De twee minuten voor alle slachtoffers uit alle oorlogen komen angstig dichtbij. De oude man pakt zijn papieren, kromt zijn rug en versnelt. Binnen twintig seconden beëindigt hij in een monotone stortvloed aan woorden zijn verhaal. „Ik heb het gehaald, toch?” vraagt Wim. „Heel goed”, zegt de man. Ook als je Sachsenhausen overleefd hebt, blijft het afwachten hoeveel tijd je krijgt.

Doden herdenken is voor mij doorgaans abstract reconstructiewerk. Ik probeer in een kramp beelden van slagvelden, bombardementen en razzia’s voor me te zien, geleend uit oorlogsfilms. Vanavond kijk ik om me heen. Al sinds mijn vroege jeugd heb ik diep ontzag voor grote dingen. Voor verpletterende omvang. Een scherp uitgehouwen berg of een wolkenkrabber. Het Forum Romanum of Sachsenhausen. Mijn ontzag heeft geen geweten. Ik voel me nietig en helder.

Terug naar Berlijn.

Als de wind uit het westen waait, kan ik mijn stroperige leven over de grens al ruiken. Het is half elf. Op het terras van een Vietnamees restaurant ontmoet ik Gerardo. We hebben afgesproken om te eten. Argentijnen doen dat als wij willen gaan slapen.

Toen ik in de allereerste week van mijn reis in Buenos Aires met Gerardo afsprak, nu drie maanden geleden, dacht hij een welgestelde, oudere man te treffen, zei hij achteraf. Gerardo was een zoon van een vriend van een vriendin van mijn vader. Hij kende mij alleen van mijn e-mails. Hij deed ook iets met theater, maar dat stelde niet veel voor, zei hij. Hij had zijn netste kleren aangetrokken en een tafel gereserveerd bij een duur, Frans restaurant, in de veronderstelling dat ik zou betalen. Toen zag hij mij in mijn korte broek, mijn slippers en m’n verwaarloosde haren op de hoek van het drukke kruispunt. Voor de ingang van het restaurant bleef hij staan. Hij wist ook nog wel wat anders. Iets ‘echts’. Uiteindelijk aten we afschuwelijk slechte pasta met afschuwelijk slechte wijn voor 1 euro op het terras van een met tl-buizen verlicht café. Het was warm en ik kon maar niet geloven dat je de sombere winter van Nederland zo makkelijk kon inruilen voor zwoele zomer. Ik werd uitgelatener met elk glas wijn, dat we aanvulden met mineraalwater en ijs. In stroef Engels vertelde ik hem over al mijn verwachtingen van m’n reis, de toekomst, het leven. Hij luisterde.

Nu zitten we weer

tegenover elkaar. Nu in het voorjaar van het noorden. Hij reist door Europa van het ene naar het andere prestigieuze theaterfestival, begrijp ik als ik doorvraag. Hij herinnert me feilloos aan al mijn plannen. Hij heeft een beter geheugen dan ik hem toewens. En ik denk: wat is het dan snel gegaan. Ik heb alleen vannacht nog.

Tegen middernacht zet ik mijn huurfiets voor het raam van de fietsenwinkel en gooi de sleuteltjes door de brievenbus. Ik loop door de stille stad, door de brede en sobere straten naar mijn huis. Langs grote gebouwen, verlaten monumenten, over braakliggende stukken grond, langs spoken en dingen die gebeurden. Ik loop door de DDR, door het Derde Rijk, de Berlijnse muur over, het park in. Het is net geen volle maan meer. Met de fiets heb je het donkere park snel doorkruist. Lopend ben ik een doelwit. Er schijnen ’s nachts jagende vossen, zwijnen en homo’s rond te lopen in het park.

Nacht. Ik dweil de vloer, doe de afwas, pak mijn koffer en zet de meubels op hun oorspronkelijke plaats. Ten slotte neem ik een douche. Eens in de zoveel tijd gutst er een stroom kokendheet water uit de douchekop. Het brandt de huid. Je kan het voelen aankomen als je alert bent. Als de druk een heel klein beetje afneemt, moet er in een fractie van een seconde gehandeld worden. Soms lukt dat. Soms krijs ik.

Ik ben schoon. Ik ben klaar. Ik zet de bagage naast de deur. Ik ga op de rand van mijn bed zitten en kijk de kamer in. Het appartement is leeg. Zoals ik het aantrof.

Ik zet mijn wekker. Het is half twee. Bevrijdingsdag. Morgen hoop ik als een god neer te dalen op mijn leven in Amsterdam. Gelouterd. Met de kilometers die ik heb gemaakt als gewonnen ruimte in mijn hoofd.