De dropfabriek

De vader van mijn vriend Jaap was de directeur van een snoepfabriek. Op een dag mochten we met hem mee om naar een nieuwe machine te kijken, waarmee drop werd verpakt.

Ook Jaaps zusje Tamara ging mee. Net als ik hield ze erg van drop. Maar anders dan ik hoefde zij er niet voor naar de winkel.

Ik stelde me voor dat haar kamer een groot dropmagazijn was. Met potjes Engelse drop, dropkabels, salmiakballen, trekdrop, jujubes, griotjes, dropsleutels en ga zo maar door.

Alleen al vanwege haar dropvermogen was ik verliefd op haar. Als ze een dropveter in haar mond had, vergat ik dat ze scheel keek. Op zo’n moment was het alsof ze zelf van drop was gemaakt. Niet voor niets was ze de dochter van een dropfabrikant.

De fabriek was een dropparadijs. In een grote hal stonden bakken drop. Ze waren zo groot dat je er in kon zwemmen. Die bakken werden leeg gestort in een trechter die boven een lopende band met rechtopstaande zakjes hing. Af en toen viel er een dropje naast. „Dat mag je opeten”, zei Jaap. En omdat mijn moeder thuis nooit drop had, at ik alle drop die ik te pakken kon krijgen. Zo vaak kom je als kind toch niet in een dropfabriek?

Tamara en Jaap stopten op een gegeven moment met drop eten. „Anders word we misselijk”, zeiden ze tegelijk, alsof ze het hadden gerepeteerd. Hun lippen, mondhoeken en handen waren helemaal zwart van de drop.

Zelf wilde ik nog helemaal niet dat er een einde kwam aan het eindeloze drop eten. En daarom ging ik gewoon door. Totdat ik ineens heel erg misselijk werd en een geweldige buikpijn kreeg. „De wc, de wc, waar is de wc”, vroeg ik kreunend aan Tamara. Maar die keek me alleen met een vies gezicht aan.

Ik begon nu door de gangen van de fabriek te rennen om zelf op zoek te gaan. Iedere deur die ik tegenkwam rukte ik open, maar nergens was een wc te vinden.

En toen was het ineens te laat. Mijn lichaam was een leegstromende dropfabriek geworden. Sinds die dag heb ik jarenlang geen drop meer gegeten. En Tamara? Die hoef ik niet meer.