Crisis Wereldbank is nog niet voorbij

Met het vertrek van topman Paul Wolfowitz lijken de problemen bij de Wereldbank opgelost. Maar de werkelijke strijd om de toekomst van het instituut is nog maar net begonnen.

Paul Wolfowitz gaat weg bij de Wereldbank, alle partijen nemen een beetje van de schuld op zich en het Witte Huis gaat op zoek naar een opvolger. Wolfowitz gaf zich vannacht pas gewonnen toen hij een verklaring op zak had dat hij „ethisch, in goed vertrouwen en in het belang van de organisatie” gehandeld had. Keert de rust nu eindelijk terug bij het instituut aan Pennsylvania Avenue? Dat is niet te verwachten.

Drie ontwikkelingen die bij de Bank al aan de gang waren, zijn door de affaire-Wolfowitz versneld. Alle hebben ze te maken met de dreigende marginalisering van de Wereldbank en de zusterorganisatie, het Internationaal Monetair Fonds (IMF).

De eerste is die van representatie. De Amerikanen lijken bij het nadenken over Wolfowitz’ opvolger vast te houden aan hun oude privilege om de president van de Wereldbank te mogen benoemen, zoals de Europeanen dat hebben bij de benoeming van de directeur van het IMF. Niet-westerse landen en ontwikkelingsorganisaties beschouwen dat voorrecht als koloniaal en niet meer van deze tijd. Aan de stemverhoudingen binnen de Wereldbank, waar westerse landen alles kunnen blokkeren dat hun niet zint, is afgelopen najaar al gesleuteld om landen als Mexico en Turkije een wat zwaarder gewicht te geven, maar die discussie is nog lang niet over.

Het zal nog een behoorlijke strijd vergen voordat de westerse landen hun ‘overrepresentatie’ opgeven. Maar veel keus hebben deze landen niet: als Azië zich onderbedeeld voelt, zal het continent de Wereldbank en het IMF steeds meer negeren. Dat geldt ook voor Zuid-Amerika, waar de Venezolaanse president Chávez openlijk praat over een nieuw op te zetten regionale concurrent voor de Wereldbank.

Een misschien nog wel groter gevaar komt van de Verenigde Staten zelf. Anders dan in Europa is de Wereldbank er relatief onbekend, en niet erg bemind. De gebouwen van Wereldbank en IMF staan dan wel middenin Washington, maar ze worden er toch beschouwd als Fremdkörper, overwegend bevolkt door Europeanen en andere exotische volkeren. Bovendien is de missie van de Bank in Amerikaanse ogen weinig concreet. Zoals bij veel multilaterale organisaties is Amerikaanse steun essentieel voor het functioneren en voortbestaan.

Maar nu het vooral Europees verzet is geweest dat Wolfowitz de kop heeft gekost, zal dat de weinige Amerikaanse liefde die er al was verder bekoelen. En het zal een oude Amerikaanse wens opnieuw op de voorgrond brengen: moet de zaak niet helemaal op de schop? In 2000 rapporteerde de commissie-Melzer aan het Amerikaanse Congres een reeks van voorstellen voor veranderingen.

De meest in het oog springende daarvan was de omvorming van de Wereldbank van een bank die middelen uitleent aan ontwikkelingslanden tot een instituut dat alleen nog ontwikkelingshulp geeft. Sindsdien is de wereld veranderd in een richting die het Melzer-principe verder ondersteunt. De kapitaalmarkten zijn al weer zo veel verder ontwikkeld dat landen voor leningen ook op de markt terecht kunnen, tegen vrij vriendelijke rentetarieven.

Veel landen in met name Azië hebben inmiddels zulke financiële reserves opgebouwd dat zij Wereldbank en IMF niet meer nodig hebben. Dat geldt eveneens voor grondstoffenproducenten in met name Zuid-Amerika, waar de weerstand tegen de Bank toch al groot was. En landen als China hebben inmiddels genoeg geld om in Afrika zelf uit te lenen, met een beroep op de lokale grondstoffenrijkdom als tegenprestatie.

Het Melzer-plan viel aanvankelijk slecht bij de Bank. Het zou een Amerikaans opzetje zijn om het instituut te ondermijnen, of op zijn best een voorstel waarvan zeker was dat het geweigerd zou worden. Zodat de Amerikanen zelf weer een rechtvaardiging kregen voor hun eigen terughoudendheid tegenover het weerspannige instituut.

Ook in dit opzicht zijn de tijden veranderd. Verrassend is dat er ook binnen de Wereldbank zelf stemmen opgaan om het instituut te veranderen van een bank in een multilateraal doorgeefluik van giften. Dat vergt dan natuurlijk wel dat westerse landen hun ontwikkelingshulp voor een groter deel via de bank gaan verstrekken dan nu het geval is. Zullen zij dat doen?

De Europeanen zouden zich dan moeten aansluiten bij een van oorsprong Amerikaans idee. De Amerikanen zullen knarsetandend opnieuw hun liefde moeten betuigen voor een instituut dat zij niet beminnen. En allebei zullen ze dat ook nog moeten doen terwijl zij een deel van hun formele macht in de besluitvorming afstaan aan de rest van de wereld. Dat is een grote opgave. Maar veel alternatieven zijn er niet, of er nu iemand als Wolfowitz aan het hoofd staat of niet.