Brieven

Museumvlakte

Eindelijk weer eens twee mannen die zich druk maken om het zogenaamde Museum ‘plein’. Hofland in zijn column van 3 mei, Kees Glerum in zijn brief in CS van 11 mei. Beide heren hebben in de gaten dat de vlakte tussen Concertgebouw en Rijksmuseum geen plein is. Maar verbijsterend genoeg blijven ze tóch jammeren dat het allemaal zo lelijk is en anders moet.

Eén blik op de kaart van Amsterdam leert dat je het Sarphatipark makkelijk in het Museumplein kunt laten verdrinken. Zeer terecht werd er op de Museumvlakte dus een Deense landschapsarchitect gezet en geen Italiaanse pleinenmagiër. Helaas vergat stadsdeel Oud-Zuid Sven-Ingmar Anderson te vertellen wat er zou gebeuren als je er aantrekkelijke voetbalvelden plande – dagelijks kun je er voetballers het gras zien doodschoppen.

Maar op zonnige dagen zie je honderden mensen plezier hebben op die unieke grasvlakte, omgeven door ‘wereldberoemde’ musea en een nog beroemder Concertgebouw. Maak er vooral een stenen wandelwoestijn van, met een flinke vijver met ‘opzienbarende’ fontein en tot overmaat van oorspronkelijkheid een machine van Jean Tinguely en Hofland is gelukkig. Maar de toerist is ongelukkig, want zoiets kwam-ie al eerder tegen. Wie naar de intimiteit en schoonheid van een werkelijk plein verlangt, zal naar Amsterdam-Oost moeten, naar het Kastanjeplein.

H.M.Bosch, Amsterdam

Publieke omroep

„Hoe bied je samenhang aan een maatschappij wanneer je geen verhalen meer maakt?”, vraagt Jos de Putter zich af in zijn pleidooi voor meer verdieping bij de publieke omroep (CS, 11 mei). Ik vraag me af of zijn analyse wel goed of vernietigend genoeg is. Waar in onze samenleving de marktwerking (kijkcijfers) de verhalen waar De Putter het voor opneemt wegdrukt, daar zoekt de publieke omroep juist op een te verkrampte manier naar ‘community’. Ik kan de eindeloze praatprogramma’s, de ‘gemeenschappelijke’ soaps en politieseries en niet te vergeten de sport (die ook zou verbroederen) niet anders duiden. Het is juist de angstvallige overdaad aan ‘community’ die het samenleven bijna doet verstikken.

Paul Ophey, Arnhem