Bestrijders van terrorisme zijn net echte mensen

De NCTb moet het antiterreur-beleid in Nederland coördineren. Maar dat is een vage term, staat in het evaluatierapport over de organisatie. Een coördinator krijgt veel voor elkaar, maar kan ook wrevel wekken.

Er stort een vliegtuig neer in de Bijlmer. Is het een ongeluk? Of een aanslag? Het antwoord is essentieel. Want bij een ongeluk is de minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk voor het snel en gecoördineerd reageren van overheidsdiensten. Bij een aanslag is het de minister van Justitie.

„Een bestuurlijke ramp”, noemen leidinggevenden van betrokken diensten de organisatie van het overheidsoptreden bij een terreurcrisis. Het staat in een evaluatie, in opdracht van Justitie en Binnenlandse Zaken, van het optreden van de drie jaar oude Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb). Ze waarschuwen voor de „onduidelijkheid, ondoorzichtigheid en ook onjuistheid van de bestaande crisisbeheersingsorganisatie”.

De twee Leidse onderzoekers die het rapport opstelden, spraken in 2006 met alle leidinggevenden in de terreurbestrijding: de voormalige ministers Johan Remkes (Binnenlandse Zaken) en Piet Hein Donner (Justitie), Donners opvolger Ernst Hirsch Ballin en de coördinator zelf, Tjibbe Joustra. Burgemeesters Job Cohen (Amsterdam), Ivo Opstelten (Rotterdam) en Wim Deetman (Den Haag) gaven hun mening. Ook werden de directeuren van de inlichtingendiensten, topambtenaren op de betrokken ministeries en de bazen van de grootste politiekorpsen geïnterviewd.

De belangrijkste terreurbestrijders zijn net mensen. Ze zijn jaloers op elkaar, ergeren zich aan elkaar, wantrouwen elkaar. Bij Binnenlandse Zaken wordt de oprichting van de NCTb beschouwd als een inbreuk op de centrale taken van het departement: openbare orde en veiligheid en crisisbeheersing.

De veiligheidsdiensten ergeren zich aan de NCTb. Deze heeft de neiging zich te bemoeien met dingen waar hij volgens de diensten buiten moet blijven, zoals zelf contact zoeken met buitenlandse inlichtingendiensten.

De verhouding tussen de twee ministeries waaronder de NCTb valt, doet de coördinator geen goed. De onderzoekers tekenen aan dat volgens sommige respondenten sprake is van „onderlinge animositeit” en „veel competentiegeschillen”. De NCTb zou lijden aan „het fantoom van de gespannen relatie tussen Justitie en Binnenlandse Zaken”. Voor de onderzoekers vallen de onderlinge spanningen onder „jaloezie”, en moet er niet te veel aandacht aan worden besteed. Waarbij de vraag blijft wat bij een crisis de gevolgen zijn van de geschetste spanningen in de verhouding tussen de belangrijkste terreurbestrijders.

Hoe nu verder? De „scherpe kritiek” op de verdeling van macht tussen Binnenlandse Zaken en Justitie is de rode draad. Die verdeling is volgens bijna iedereen onverstandig en onwerkbaar. Op deze manier, horen de onderzoekers, is de NCTb niet meer dan een „gelegenheidsoplossing”. Zeker als er echt een crisis is, moet duidelijk zijn wie wat doet, en wie naar wie moet luisteren. Die duidelijkheid ontbreekt nu, zeggen veel betrokkenen.

Wat de onderzoekers betreft, vervult de NCTb een belangrijke rol in de terreurbestrijding. Veel geïnterviewden prijzen de coördinator voor het verrichten van „achterstallig onderhoud”. Hij heeft gezorgd voor betere contacten en informatie-uitwisseling, zorgt dat mensen beter samenwerken. Maar twee ministers die de baas zijn, dat werkt niet, vinden ook de onderzoekers. Als de overheid zich goed wil wapen, moet er één de baas zijn. „Terrorismebestrijding kan niet effectief functioneren op basis van collectieve verantwoordelijkheden.”

Ook het kabinet wil één verantwoordelijke minister. In het regeerakkoord is de minister van Justitie aangewezen. Maar verschillende geïnterviewden zien liever de minister van Binnenlandse Zaken. Dat geldt zeker voor de burgemeesters en de politiekorpsen. „Justitie moet dus ‘terug in het hok’, zo wordt op lokaal niveau gesteld”, staat in de evaluatie.

Ook moet duidelijker worden wat de NCTb mag. ‘Coördineren’, vinden de onderzoekers, is te vaag, omdat het kan variëren van „aanduiden” tot „commanderen”. Joustra heeft laten zien dat een actieve coördinator veel voor elkaar kan krijgen, maar ook dat activiteit zonder formele bevoegdheden tot wrevel leidt. Het moet dus duidelijker worden wat de coördinator doet, en hij moet de macht krijgen om dat te doen, vinden de onderzoekers. Ook moet er een andere naam komen: de Nationale Autoriteit Terrorismebestrijding.

De onderzoekers komen daarmee tot dezelfde conclusie als Joustra in 2004, toen hij voor het kabinet bekeek wat de beste manier zou zijn om terreurbestrijding te organiseren. Toen lukte het niet, en de vraag is of een Nationale Autoriteit Terrorismebestrijding nu meer kans heeft. De omstandigheden lijken niet heel anders: meningsverschillen over wie de baas moet zijn, angst voor één minister met te veel macht, en een politieke traditie waarin spreiden van macht coalities stabiel houdt.

De oplossingen zijn in deze evaluatie opnieuw beschreven. Alle betrokken vinden terreurbestrijding uitzonderlijk belangrijk. Dat moet een oplossing toch dichterbij brengen. Hoogleraar bestuurskunde Jouke de Vries, een van de onderzoekers, twijfelt. „Het ijzer is blijkbaar nog niet heet genoeg om te smeden. Dit soort vraagstukken moet je eigenlijk bij de formatie regelen. En dat is niet gebeurd.”

Hoofdartikel:pagina 7

Lees het evaluatierapport over de NCTb via www.nctb.nl