Beestenleed en zoveel meer

Rudy Kousbroek: Het raadsel der herkenning. Fotosynthese 3. Augustus, 128 blz. € 19,90

Het is meer van hetzelfde, maar het verveelt nog steeds geen moment: in Het raadsel der herkenning, zijn derde en laatste bundel ‘fotosyntheses’, bespreekt Rudy Kousbroek opnieuw een verzameling gevonden foto’s. Al bij het eerste doorbladeren is duidelijk dat ze niet geselecteerd zijn op hun artistieke kwaliteiten. Er zijn veel snapshots bij, onscherp, raar gekadreerd en met goedkoop flitslicht. Oud en vaal. Of juist nieuw en digitaal, maar van internet geplukt en met een resolutie die eigenlijk te laag is voor een goede afdruk.

Je ziet het bijzondere er lang niet altijd meteen aan af. Maar steeds als je Kousbroeks column op de linker pagina leest, ga je anders kijken naar de foto rechts. Bij nader inzien bevat bijna elke foto een raadsel, of zoals Kousbroek het zelf noemt: een onmogelijkheid. Iets wat vragen oproept. Kousbroek verwondert zich over die onmogelijkheden op voorwaarde dat ze onbedoeld zijn, niet geënsceneerd of gephotoshopt. Het raadsel moet in de werkelijkheid zitten, of in de werkelijkheid zoals Kousbroek die ervaart.

Neem de foto van drie Franse messenslijpers rond de vorige eeuwwisseling. Ze liggen op hun buik op een plank waaronder een slijpsteen ronddraait. Op zichzelf al een beeld waar je oog even aan blijft hangen. Maar pas na een tijdje ontwaar je in de zwarte schaduwenpartijen drie honden, die tussen de benen van de slijpers liggen. In de koude messenslijperij hielden zij hun baasjes warm. ‘Het bekijken en herkennen van die honden’, schrijft Kousbroek, ‘roept bij mij een eigenaardige mengeling van historische wanhoop en dankbaarheid op, zoals meestal bij afbeeldingen van lotsverbonden dieren en mensen.’ Volgt een mijmering over het uithoudingsvermogen van zowel de arbeiders als hun honden, en over het verschil met onze tijd, waarin zulk werk wordt gedaan door machines die geen last hebben van kou, vocht of slijpsel.

Het is weldadig om door een rasverteller als Kousbroek langs al die foto’s gevoerd te worden. Soms geeft hij een verklaring voor iets raadselachtigs dat je zelf al was opgevallen, soms ook was de vreemdheid van het afgebeelde de gewoonste zaak van de wereld tot Kousbroek erover begon. Naar aanleiding van een foto van marcherende Egyptische soldaten in de jaren twintig verwondert hij zich bijvoorbeeld ‘over die vreemde aandrang van de mensen om iets op hun kop te zetten. Het is zo leeg, daar boven op die schedel, kom, we maken een cilinder, of een kegel, of een halve bol, en dat doen we er dan bovenop, dat staat gekleed, dat moet, dat hoort zo.’

De fotosyntheses zijn praatjes bij plaatjes, maar Kousbroek neemt het gelukkig niet zo nauw met die vorm. Dikwijls voeren zijn gedachten ver bij de foto vandaan of komt hij pas tegen het eind van een stukje aan de afbeelding toe. De foto’s zijn vertrek- of eindpunten voor een betoog. Als de schrijver een verhaal wil vertellen waar hij nog geen foto bij heeft, maakt hij er desnoods zelf een.

Net als in de vorige twee fotosynthese- bundels – Opgespoorde wonderen en Verborgen verwantschappen – gaat het in Het raadsel der herkenning vaak over vaste Kousbroekonderwerpen als techniek, Frankrijk, religie en ons koloniale verleden. En er komen heel veel dieren langs. Meer dan ooit schrijft Kousbroek over hun vaak droevige lot. De honden die de messenslijpers moesten verwarmen. Een stier met een dolk in zijn rug, die in een Spaanse arena in elkaar zakt naast een ‘arrogant en stupide snotjoch’. Kousbroek grijpt ook menige foto aan om de lezer eraan te herinneren dat paarden de meest misbruikte dieren in de geschiedenis van de mensheid zijn. Ze liepen zwaarbeladen over smalle paadjes langs rotswanden, werden hun leven lang afgebeuld in donkere kolenmijnen, trokken in hun eentje afgeladen tramwagons voort en werden in het begin van de vorige eeuw regelmatig aangereden door de eerste auto’s. Paarden waren bovendien eeuwenlang ‘letterlijk kanonnenvlees […] op de slagvelden van Europa, Amerika en Azië’.

Dat Kousbroek zoveel dierenleed beschrijft, kan ermee te maken hebben dat de hier verzamelde columns in de Provinciale Zeeuwse Courant verschenen in de aanloop naar de laatste Tweede Kamerverkiezingen, toen de schrijver lijstduwer was voor de Partij voor de Dieren. In een aflevering van rond de verkiezingsdag geeft Kousbroek zelfs een onomwonden stemadvies. Zoveel politieke betrokkenheid is niet goed voor een stukjesschrijver, zou je denken, maar aan de andere kant is het juist die grote persoonlijke betrokkenheid die Kousbroeks mini-essays zo meeslepend maakt. Hij is een geëngageerd schrijver. En niet alleen als hij het over dieren heeft, over Nederlands-Indië of over de vernieling van oude gebouwen, maar ook als het gaat over zijn eigen vakgebied: de literatuur. Regelmatig schiet hem bij het zien van een foto een boek van Stendhal of Lampedusa te binnen, een regel van Henk van Woerden, een gedicht van Leopold of Apollinaire. Zijn enthousiasme daarover is aanstekelijk. Als je zijn boek uit hebt, heb je een lijstje met tien andere boeken die je ook wilt lezen.