Archief weggooien? We kijken wel uit

De Kamer gooit delen van zijn buitenlands archief weg, aldus verschillende media.

Maak je niet druk, zegt de directeur Nationaal Archief, het is geen origineel materiaal.

De berichtgeving over de vernietiging van het ‘zolderarchief’ van de Tweede Kamer heeft tot grote verontrusting geleid bij het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis en de Stichting voor Surinaamse Genealogie. Ook vanuit de hoek van de bekende historici werden protestkreten gehoord. Als ik af ga op wat bijvoorbeeld NRC Handelsblad hierover op zaterdag 5 mei schrijft, begrijp ik dat heel goed. Immers, er wordt een beeld geschetst dat een belangrijk overheidsorgaan als ons parlement kan doen met zijn archief wat het wil. Dat er bovendien, volgens de berichten, sprake is van het weggooien van materiaal over Nederlandse slavenhandel aan de Afrikaanse westkust, een gevoelig onderwerp uit het Nederlandse verleden, maakt de verbazing nog groter. De indruk die dit alles wekt op de lezer is dat we uitermate slordig omgaan met ons nationale erfgoed.

Dat beeld klopt niet. Onze overheidsarchieven worden met grote zorgvuldigheid en wettelijke waarborgen gewaardeerd en geselecteerd. Dit is een van de belangrijkste taken van het Nationaal Archief als de bewaarplaats van de archieven van de centrale overheid.

Archieven zijn, anders dan boeken en tijdschriften, uniek materiaal. Ze bevatten de correspondentie, de dossiers, de notulen en verslagen, maar ook de originele bevolkingsboekhouding en kadastrale gegevens en de procesdossiers van de rechtbanken die eenmalig worden aangemaakt. Dat maakt archieven zo authentiek en waardevol als historische bron.

We hebben ons de opdracht gesteld om uit de honderden kilometers papieren en digitale informatie die de rijksoverheid produceert, datgene voor bewaring te selecteren dat voor het begrip van onze maatschappij van groot historisch belang is. We doen dat met een netwerk van historische specialisten die op basis van een historische maatschappelijke analyse ons in deze kunnen adviseren. Niet alleen het historische belang telt, maar ook het emotionele belang kan ons doen besluiten bepaalde bestanden integraal te bewaren, bijvoorbeeld de oorlogsarchieven en in de toekomst de informatie over ons vreemdelingenbeleid. Als uitgangspunt geldt dat de uiteindelijke collectie van het Nationaal Archief een goede reconstructie mogelijk moet maken van de Nederlandse geschiedenis.

Waarom is dat dan in dit geval niet gebeurd? Heel eenvoudig. Het materiaal waarover nu de discussie is ontstaan, is geen archiefmateriaal van de Tweede Kamer. Dat wil zeggen, materiaal dat het parlement zelf heeft gevormd bij zijn taakuitoefening: de wetgeving en controle van de regering. Het is in strikte zin geen authentiek en uniek materiaal dat volgens de Archiefwet aan het Nationaal Archief moet worden overgedragen. Het betreft bibliotheekmateriaal: drukwerk dat afkomstig is van buitenlandse parlementen; van Engeland, Duitsland, Amerika, Frankrijk, om de belangrijkste te noemen. Dit drukwerk is bewaard om te dienen als naslagwerk voor parlementariërs. Het materiaal is te vergelijken met de Nederlandse Handelingen der Staten-Generaal die in gedrukte vorm in elke grote bibliotheek in ons land raadpleegbaar zijn en steeds meer ook in digitale vorm op internet. Denk maar aan de geweldige informatievoorziening die statengeneraaldigitaal.nl vanaf volgende maand biedt. De Britse Handelingen waarnaar werd verwezen in het NRC-artikel van 5 mei worden bovendien bewaard in het Vredespaleis in Den Haag, waar ze ook raadpleegbaar zijn.

Overigens, het feit dat het formeel niet naar het Nationaal Archief hoeft te worden overgebracht, is voor ons geen reden om toch niet kritisch te bekijken of het materiaal geen waardevolle aanvulling kan vormen op onze archievencollectie. Het Nationaal Archief heeft immers in het verleden ook beleidsbibliotheken overgenomen omdat ze ondersteunend kunnen zijn voor het archiefonderzoek, Ook in dit geval hebben we die afweging gemaakt. Onze conclusie was hier dat dit, op een klein gedeelte na, niet het geval was.

Die zorgvuldige afweging maakt dat ik niet bang ben dat unieke historische informatie dreigt te verdwijnen. Zo is de diplomatieke affaire tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland over vermeende slavenhandel die in het artikel van 5 mei wordt genoemd, beschreven in vele archiefbronnen die het Nationaal Archief bewaart. Ik noem met name het ministerie van Buitenlandse Zaken (1813-1870), het ministerie van Koloniën (1814-1949) en het Gemengd Nederlands-Brits Gerechtshof tot wering van de slavenhandel te Suriname in de Bestuursarchieven (1810-1845). P.C. Emmer bestudeerde ze voor zijn proefschrift Engeland, Nederland, Afrika en de slavenhandel in de negentiende eeuw, dat verscheen in 1974.

Ideaal zou zijn dat voor de Nederlandse historici ook de buitenlandse bronnen en documentatie, zoals de Handelingen, van alle landen over tal van Nederlandse kwesties beschikbaar moeten zijn, maar dat is fysiek onmogelijk. Het aanbod van archieven voor de Nederlandse archiefinstellingen is immens en vraagt van de archiefprofessionals een voortdurende afweging. Gelukkig gaat de digitalisering, ook in het buitenland, zo snel dat er steeds meer informatie te vinden zal zijn via internet. En beslist ook de informatie waarop nu de schijnwerpers gericht zijn.

Dr. Maarten W. van Boven is algemeen rijksarchivaris en directeur van het Nationaal Archief in Den Haag.

Lees het NRC-artikel ‘Geen slavenhandel meer op de parlementszolder’ op nrc.nl/opinie