Altijd in vuur en vlam staan

Al ver voor de heiligverklaring van de jeugd in de jaren zestig begon het beeld van de adolescent te kantelen, schrijft Jon Savage. Draaft hij door?

Jon Savage: Teenage. The Creation of Youth 1875-1945. Chatto & Windus, 551 blz. € 34,99

In de bioscopen draait momenteel de film Notes on A Scandal, die een meesterlijk en genadeloos commentaar geeft op de hedendaagse obsessie met jeugd en jeugdigheid. De film volgt de onttakeling van Sheba Hart, een tekenlerares met een vroege midlife crisis, die een verhouding begint met een 15-jarige scholier. Waarom weet ze zelf niet precies. In ieder geval niet alleen uit verliefdheid of lust, maar ook om te ontsnappen aan de verantwoordelijkheid en de sleur van de volwassenheid. Nadat de affaire is uitgekomen en een gevangenisstraf dreigt, begint ze haar haar weer op te kammen en smeert ze dikke, zwarte oog-make up op, net als toen ze 15 jwas en op zangeres Siouxsie Sioux wilde lijken.

Weinig mensen vinden het prettig om oud te zijn, maar toch is dit ongecontroleerde verlangen om jong te zijn – of het weer te worden of het te blijven – niet van alle tijden. De hoge status van de jeugd, is een betrekkelijk nieuw fenomeen. Hoe dat is gekomen, is al vaak in kaart gebracht. De toenemende welvaart van jongeren vanaf de jaren vijftig, waardoor grote groepen voor het eerst spending power kregen, de opmars van de consumptiemaatschappij en de massacultuur, de uitvinding van de rock ’n’ roll, de culturele explosie van de jaren zestig, de democratisering van het hedonisme; dat zijn allemaal verschijnselen die hierbij en rol hebben gespeeld.

De grote verdienste van de journalist Jon Savage, is dat hij dat bekende verhaal niet nog een keer heeft willen vertellen. Hij zoekt in Teenage. The Creation of Youth 1875-1945 naar de ‘prehistorie’ van de hedendaagse jeugdobsessie. Het boek schakelt voortdurend heen en weer tussen ernstige en triviale onderwerpen, van de opkomst van de flapper (het moderne meisje van de jaren twintig) en het ontstaan van jazzstijlen als ragtime en swing, tot Anne Frank en de Duitse verzetsgroep Die Weisse Rose; van het dansen van de jitterbug tot de lotgevallen van de zwervende jeugd (de teenage-hobo’s) tijdens de crisis van de jaren dertig; van Peter Pan ( ‘I always want to stay a little boy en never grow up’) tot de jeugdbendes van Chigaco.

Ondanks de grote afstand in de tijd kan Savage, die eerder het veelgeprezen England’s Dreaming (1991) schreef over de Sex Pistols, opmerkelijk veel continuïteit aanwijzen. Zo is de typering van de adolescentie van de Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog G. Stuart Hall, in zijn tweedelige mammoetwerk Adolescence (1904), nog steeds herkenbaar.

Stuart Hall, die in Teenage als een leidsman fungeert voor Savage, was een belangrijk pionier van het onderzoek naar het ‘tweede decennium van het leven’. Hij omschreef adolescenten als dromers die leven bij de dag en in de ban zijn van grote gevoelens en gedachten. Intensiteit is volgens hem het meest kenmerkend voor adolescenten: ‘Ze moeten tintelen, in vuur en vlam staan.’ Hij definieerde de adolescentie verder als de ‘periode van sentiment en religie, van snelle stemmingswisselingen, de wereld lijkt vreemd en nieuw.’ En: ‘Sex asserts its mastery.’

De associatie van de Verenigde Staten met jeugd is niet bij Elvis Presley begonnen. Opnieuw Stuart Hall; hij schreef over Amerika: ‘We are a nation in adolescense’. De VS beschouwen zichzelf als een jong land, afgezet tegen het oude continent Europa. Om die reden hebben jongeren, als belichaming van het Amerikaanse zelfbeeld, er een andere positie dan in Europa. In Europese landen vervullen jongeren van oudsher vooral twee belangrijke maatschappelijke rollen. Die van sociaal angstobject: de vaak opgeblazen vrees voor de gebrekkige impulsbeheersing van jonge mannen en losgeslagen meisjes, zeker die uit de lagere klassen en/of een etnische minderheid, is niet van vandaag of gisteren, laat Savage zien. De andere belangrijke rol is die van kanonnenvoer.

Baden Powell

Op Britse public schools werden decennia lang de toekomstige bestuurders van het imperium klaar gestoomd met een ideologie van plichtsbesef, gehoorzaamheid, lichamelijke kracht en conditie. Baden Powell, de oprichter van de padvinderij, probeerde deze ethiek van ‘gespierde christelijkheid’ over te dragen op bredere lagen van de bevolking. Onder het motto: ‘Each man in his place and play the game.’ In Frankrijk en Duitsland was het niet veel anders.

De militarisering van de jeugd, met het bijbehorende beperkte idee van mannelijkheid, leverde een permanent tegengeluid op van decadenten, dandy’s en andere dwarsliggers. Maar pas door de zinloze slachtpartijen van de Eerste Wereldoorlog raakte de militarisering van de jeugd, met de sterke nadruk op opofferingsgezindheid inclusief de ultieme bereidheid te sterven voor het vaderland, werkelijk omstreden.

Geen regime heeft de jeugd ideologisch op een hoger voetstuk geplaatst dan het nationaal-socialisme. Jongeren boden de beste kansen voor het scheppen van de nieuwe mens, waarnaar de nationaal-socialisten streefden. Ze vereerden de schoonheid en de kracht van het jonge lichaam. ‘Vanuit nationaal-socialistisch perspectief heeft de jeugd altijd gelijk’, verklaarde Baldur von Schirach, de leider van de Hitler Jugend.

De jeugd is ook het meest vatbaar voor extremistische ideeën en radicale opvattingen; Stuart Hall beschreef de adolescentie als de periode van ‘religieuze bekering’, die hij als ‘natuurlijk en normaal’ beschouwde. De politisering van deze religieuze gevoelens – ergens in op gaan dat groter is dan jezelf – leverde gemene schepsels op, die er in sommige gevallen niet voor terugdeinsden hun ouders aan te geven bij de Gestapo.

Oorlogen hebben grote betekenis gehad voor de veranderde maatschappelijke positie van de jeugd. Aan de ene kant hebben twee wereldoorlogen zo niet het leven, dan in ieder geval de jeugd gestolen van miljoenen adolescenten. Anderzijds zijn oorlogen perioden waarin maatschappelijke verhoudingen onder grote druk komen te staan en gaan schuiven. In beide oorlogen nam de jeugdcriminaliteit met sprongen toe; al was het maar omdat het aantal politiemannen drastisch werd teruggebracht om mankracht voor het leger vrij te maken.

Daarnaast betekende oorlog voor jongens én meisjes vaak een eerste baan met een echt salaris, omdat de mobilisatie veel arbeidsplaatsen vrij maakte. Wie volwassen werk deed, wilde ook als een volwassene worden behandeld. Jongeren die plotseling onmisbaar waren voor het vaderland – aan het front én in de oorlogseconomie – eisten ook meer zeggenschap en autonomie op.

Savage romantiseert, in het voetspoor van Stuart Hall, de jeugd. Instemmend haalt hij diens typering van de adolescentie aan als een ‘tweede geboorte’. Maar voor hoeveel adolescenten gaat dit werkelijk op? Komen de meesten er, met wat schikken en plooien, niet redelijk ongeschonden doorheen, om vervolgens min of meer in de voetsporen van hun ouders te treden? Het gros van de pubers is normaler, en veel saaier, dan Stuart Hall en Savage suggereren. De oorsprong van hun jeugdverering ligt in de Romantiek, met als het ultieme fantasiebeeld: het jong gestorven genie.

Puberteit

Het begrip adolescentie verwijst naar een periode die aanzienlijk langer duurt dan de titel Teenage suggereert en die ook niet precies samenvalt met de lichamelijke veranderingen van de puberteit. Savage besluit zijn boek in de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog, als de termen teenage en teenager in de VS ingeburgerd raken, om de leeftijdsfase tussen 14 en 18 jaar te beschrijven. Maar Stuart Hall en anderen hebben het over de periode tussen 14 en 24 jaar. Ongrijpbaarder nog is het begrip ‘jeugd’, dat een sterke subjectieve connotatie heeft (je bent zo jong als je je voelt!).

Savage maakt weinig woorden vuil aan deze terminologische oneffenhedenen. Dat tekent zijn aanpak. Teenage bevat veel prachtige, minder bekende, en ook goed vertelde verhalen over het ontstaan van de jeugdcultuur in Amerika, Engeland, Duitsland en Frankrijk. Maar erg veel verklaren kan hij door zijn werkwijze niet. Ook eerdere studies over ontstaan en betekenis van generaties, komen er niet in voor. Savage beschouwt de adolescentie als een culturele constructie en daar zit veel in. Maar hij draaft wel te ver door – door aan de biologische veranderingen die bij de levensfase horen, helemaal geen aandacht te besteden.

Het voortdurende heen en weer schakelen tussen het triviale en het serieuze, krijgt soms bizarre trekken. Maar deze mix van diepe ernst en grote lichtzinnigheid sluit wel naadloos aan bij de adolescente geest zelf, die nu over een groot deel van de wereld vaardig is geworden. Wie nog haar heeft, wil het wel rechtop laten staan.