Altijd beginnen bij het begin

Waarom werden mensen in de jaren dertig van de vorige eeuw lid van de Nationaal Socialistische Beweging, de NSB?

Begrijpelijke vraag. We weten immers dat ze met hun keuze korte tijd later voor een gewetensprobleem zouden worden gesteld aan het eind waarvan schuld en boete opdoemden. Maar wisten zij dat, toen ze zich zeventig jaar geleden lieten inschrijven, en in 1935 (Provinciale Staten) voor het eerst op Mussert stemden?

Het mei-nummer van het Historisch Nieuwsblad meende een klein hausse-je te proeven in de belangstelling voor de oude, gedemoniseerde partij die geen partij wilde zijn. Men vroeg Bas van der Boom de beweging en haar ‘lokroep’ nog eens te analyseren, en zijn artikel begint als volgt:

‘Dat de Nationaal-Socialistische Beweging niet deugde, is genoegzaam bekend. Toch waren 55.000 Nederlanders halverwege 1936 lid en stemde 8 procent in 1935 op de partij’.

Die analyse begint dus bij een ‘genoegzaam bekend’ eindresultaat: de 55.000 Nederlanders deugden niet. Als Johan Huizinga van zo’n axioma was uitgegaan toen hij de Bourgondische beschaving van de 14de en 15de eeuw wilde analyseren, zou Herfsttij der Middeleeuwen nooit geschreven zijn. Leerde hij ons toen niet al dat het vermijden van anachronismen de helft is van deugdelijke geschiedschrijving? Niet aan de auteur van het Historisch Nieuwsblad besteed.

Vorige maand schijnt het NIOD nog een seminar aan het onderwerp te hebben gewijd waar Van der Boom, blijkens een verslagje in het Historisch Nieuwsblad, zou hebben voorspeld: ‘Het is niet erg waarschijnlijk dat het ooit zal komen tot een andere beoordeling van de NSB. De bezetting heeft er voor gezorgd dat de club politiek en moreel volkomen afgeschreven is’.

Hetzelfde in andere woorden. En zolang onderzoekers verstrikt blijven in dit gemakzuchtige finalisme, zullen we nooit een zinnig antwoord krijgen op de vraag waarom iemand in de jaren dertig van de vorige eeuw lid werd van de NSB.

Godsvertrouwen, vaderlandsliefde en eerbied voor de arbeid waren de drie pijlers waarop Mussert – geen denker, amper een politicus, nog minder een behendige pragmaticus, eerder een nette, gemiddelde burger uit het Nederlandse interbellum – zijn beweging baseerde. Geen enkele andere partij zag die drie waarden in samenhang. Daarom, dachten de nationaal- socialisten, was het land ook zo dramatisch verzuild en verdeeld, zo op geen stukken na een nationale eenheid. En zij zouden daar verandering in brengen.

Mussert was, op koningin Wilhelmina na, de enige Nederlander die het standbeeld in Heiligerlee waarop je de Nederlandse maagd een dodelijk gewonde graaf Adolf ziet beschermen tegen de naderende Spaanse vijand, als een waarlijk nationaal symbool in ere hield. Met een pelotonnetje WA-mannen reisde hij er als het even kon op 23 mei naar toe om de verjaardag van de Slag martiaal te herdenken, en de dode broer van Willem van Oranje martiaal toe te spreken. Eén zo’n plechtigheid is gefilmd – door de cinematografische dienst van de partij neem ik aan, want Polygoon rukte er niet voor uit. Ik ken weinig archiefmateriaal uit de jaren dertig dat zo potsierlijk is, en tegelijkertijd zo pathetisch.

Dat gevoel voor vaderlandse moed dat Mussert met z’n armzalige groepje paramilitairen koesterde als een canon – dat moet al die 55.000 lidmaten een warm hart onder de riem hebben gestoken. Was Eenheid niet bijna een nationaal verlangen in die dagen? Werden daarom in de zomer van 1940 niet ineens bijna 2 miljoen (‘goede’) Nederlanders lid van de Nederlandsche Unie, en sprong onze dappere, verbannen, naïeve oude koningin in Londen niet een gat in de lucht toen ze hoorde over die nationale verzetsdaad onder leiding van Jan de Quay?

Natuurlijk waren mensen toentertijd ook lid van de NSB geworden uit maatschappelijke onvrede, in de illusie dat Mussert de sterke man zou blijken die een eind kon maken aan de economische crisis, uit sympathie voor iemand die hardop zei wat zij zelf ook al jaren hadden gevonden: dat politiek uit den boze was, en vooral dat ze van de veelgeprezen democratie geen cent wijzer waren geworden. Democratie was niet populair in 1930. Mussolini was populair. En elke vorm van krachtdadig, patriottisch, eenduidig regeren dat de boel aan kant hielp, en de treinen op tijd deed rijden.

Een recent onderzoek naar vrouwen in de NSB (Voor volk en vaderland door Zonneke Mathée, Balans, 366 blz.) geeft op dat punt misschien een adequater beeld van de beweging en haar aanhangers, dan het beeld van politieke desperado’s, rancuneuze middenstanders en opportunistische gelukzoekers. Het boek schiet in veel opzichten tekort. Het is niet erg representatief omdat het zich beperkt tot de oprichtsters en regelaarsters van de Nationaal Socialistische Vrouwen Organisatie. Het blijft ook weer hangen in een toon van begrip, gestrengheid en mededogen wanneer het van alle actieve dames keurig noteert hoe lang ze na 1945 gevangen hebben gezeten en of ze daarna nog een beetje leven hebben gehad: helemaal conform het Boomiaanse axioma dat ze niet hadden gedeugd, en dat hun schuld niet onbeboet kon blijven.

Maar de selectie is in zoverre ook weer erg nuttig dat ze ons laat kennismaken met allerlei rond de eeuwwisseling geboren ‘kameraadskes’, bijna allemaal van goede komaf, vaak getooid met freule-achtige dubbele namen en zonder uitzondering op zoek naar een ‘sterk’ vaderland waarbinnen de vrouw bovenal echtgenote en moeder was, volgens de leuze: Het hartvuur heilig, het haardvuur veilig – dames, kortom, die het minstens zo goed met de samenleving voorhadden als de strijdbare vrouwen van de SDAP of de stille bewonderaarsters van Colijn.

Zonneke Matthée blijft die toewijding maar paradoxaal vinden in het licht van de vrouwenemancipatiebeweging – maar is dat niet ook een anachronistische benadering van de jaren dertig? Neem alle politieke partijen van tussen de twee wereldoorlogen, en je ziet hoe mannelijke én vrouwelijke leden zich met graagte schikten naar de rituelen van een eigen partijliturgie. Vraag trouwens aan het archief van Beeld en Geluid of je een middagje naar Polygoonoptochten mag kijken van katholieke graalbewegingen, fascistische vrouwenorganisaties, socialistische jongeren, protestantse mannenverenigingen, liberale AVRO-leden en nationaal-socialistische jeugdstormers – en binnen een half uur zie en hoor je geen verschil meer in de wijze waarop ze, allemaal blij en gelovig, zingend over de hei marcheerden.

Wie antwoord zoekt op de vraag waarom iemand indertijd lid werd van de NSB, moet beginnen met een studie van de jaren dertig. Daar zit het misverstand van al die Mussert-seminars, al die pogingen tot begrip voor of veroordeling van de foute medemens, al die gemeenplaatsen van het Historisch Nieuwsblad: die beginnen bij het einde.