Alles wordt nieuw en niets verandert

Het is als met een slang die zijn oude huid afstroopt. Het blijft dezelfde slang. In de landen om ons heen treedt tussen nu en 2009 een nieuwe generatie leiders aan. De speculaties over wat zij allemaal anders zullen gaan doen dan hun voorgangers, zijn niet van de lucht. Of er werkelijk veel zal veranderen is de vraag.

Frankrijk kreeg deze week een nieuwe president, maar wel een uit de geprolongeerde regeringspartij. Engeland maakt zich op voor de ontvangst van een Schot op 10, Downingstreet, weliswaar op een moment dat Schotse losmaking uit de Unie misschien meer is dan een droom, maar het politieke decor in Londen blijft gelijk. Duitsland toont met Angela Merkel een nieuw gezicht, maar om veel meer dan dat ze vrouw is en afkomstig uit de voormalige DDR gaat het (nog) niet. Volgend jaar staat het vertrek van Poetin op de agenda, maar de regie van zijn opvolging houdt hij stevig in de hand. Ten slotte verlaat president Bush, na twee termijnen en acht jaar, het Witte Huis, voor velen een verademing – maar wat het alternatief zou kunnen zijn, blijft voorlopig duister.

Sinds de val van de Muur, de ineenstorting van de Sovjet-Unie, aansluitend Saddams inval in Koeweit, de versplintering van Somalië en die van Joegoslavië, speelt de internationale politiek zich af op twee niveaus. Op het hoogste niveau speelt de verhouding tussen de grote mogendheden. Er is begin jaren negentig het nodige gedebatteerd over de vraag hoeveel polen de internationale politiek in de nieuwe situatie bepaalden: een, twee of meer? Intussen kunnen we vaststellen dat het antwoord op die vraag sterk afhankelijk blijft van de gezichtshoek waaronder een waarnemer het probleem bekijkt; anderzijds is er consensus gegroeid dat vergeleken met de Koude Oorlog de internationale relaties ingewikkelder en daardoor kwetsbaarder zijn geworden.

Dat laatste zou dan vooral een gevolg zijn van wat er zich zoal op het tweede niveau voordoet: landen en gebieden waar gewelddadige anarchie, de gemeenschappelijke noemer, met de dag toeneemt. Daar gaat het om Irak en Afghanistan, om het Palestijns-Israëlische conflict en het interne Palestijnse geweld, om Somalië en Soedan (Darfur), om Kosovo, om landen rond de Sahara, om de Kaukasus en ruimer gesteld om de hele strook van landen die eens tot de Sovjet-Unie behoorden. Het proces van versplintering van staten in etnische en religieuze entiteiten heeft niet slechts gevolgen voor de uitslagen in het Europese songfestival. Het is onomkeerbaar en de grote mogendheden van de bovensfeer hebben er geen antwoord op. Het is in chaos ontspoorde zelfbeschikking.

Er is geen kans op gevaarlijke toespitsing van meningsverschillen tussen de grote mogendheden, wordt gezegd. Toch neemt de vrees toe dat de verhoudingen verkillen, vooral die met Rusland. Minister Rice, rechterhand van Bush, bezocht deze week het Kremlin, maar het resultaat was niet indrukwekkend. Volgens Amerikaanse zegslieden was men overeengekomen om de meningsverschillen niet langer in het openbaar uit te dragen. Dat zegt weinig over de kans deze geschillen bij te leggen. Die kans wordt toch al kleiner als naast de tegenstellingen die spelen op het tweede niveau en die min of meer onbehandelbaar blijken, ook autonome spanningen in de bovensfeer ontstaan. Daarbij valt te denken aan het Amerikaanse plan om in Oost-Europa een raketverdediging op te zetten en aan overdreven tumult over de continuïteit van Russische gasleveranties. Ten slotte scheppen geheven wijsvingers en waarschuwingen dat een nieuwe Koude Oorlog op uitbreken staat, niet bepaald de sfeer waarin ontspanning zou kunnen gedijen.

De last die de internationale gemeenschap met zich torst, is haar moralisme. Om te beginnen dekt de term ‘internationale gemeenschap’ doorgaans niet de werkelijkheid. Wat daarvoor doorgaat is een samenspel van westerse democratieën die andere landen, desnoods gewapenderhand, de dogma’s opleggen waarnaar de wereld volgens hen zou moeten worden gemodelleerd. Die benadering wortelt bovendien in een algemeen gevoelen van burgers in die democratieën, een gevoelen dat ook nog eens wordt uitgedragen door tal van NGO’s, min of meer particuliere organisaties, actief in tal van geselecteerde landen. Hoewel er onderling heel wat geruzied wordt over de modaliteiten, bestaat binding aan dezelfde uitgangspunten en beginselen.

De overtuiging het universeel goede te dienen geeft de ‘internationale gemeenschap’ in eigen ogen het recht om anderen tot de orde te roepen. Aan kennis van zaken van omstandigheden, van historische gegevens en ontwikkelingen is geen behoefte, wat anderen drijft is niet interessant. Als bijvoorbeeld Poetin zich wenst op te winden over wat hij ziet als (het begin van) een militaire inkapseling van Rusland door de NAVO, wordt dat niet geloofwaardig geacht. De NAVO vormt geen enkele bedreiging voor wie dan ook, is het axioma volgens welke deze organisatie zegt te handelen. Omgekeerd worden Russische opwekkingen om gezamenlijk een oplossing te zoeken voor Europa’s energievoorziening met vooropgezet wantrouwen bejegend.

Natuurlijk ontstaan er twijfels. Als Afghanen of Irakezen het vertrek van de vreemde soldaten eisen omdat hun aanwezigheid meer in plaats van minder ellende veroorzaakt, dringt dat de laatste tijd in de publiciteit door. Van wangedrag van vredebrengers tegenover de plaatselijke bevolking komt zo nu en dan het topje van de ijsberg bovendrijven. Slechts een wereldvreemde organisatie als de Nederlandse luchtmacht stelt in haar wervingscampagne dat haar operaties in Afghanistan de wereld veiliger maken. (Wat is eigenlijk het aandeel van de luchtmacht in de zware verliezen die de Afghaanse burgerij bijna dagelijks worden toegebracht?)

De nieuwe generatie leiders tekent voor meer van hetzelfde. Dat is niet genoeg.

Jan Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad