Alles anders moet

Het gulle systeem van subsidies voor kunstenaars doet meer kwaad dan goed, concluderen prominenten in de kunstwereld in een deze week verschenen boek.

Sommige mensen vinden dat goede kunst alleen uit ellende en armoede kan ontstaan. Dat kunstenaars hun beste werk maken als ze financieel aan de grond zitten en fysiek in de goot liggen. Want op de bodem van de put zou de beste inspiratie te vinden zijn.

In Nederland denkt men daar anders over. Nederland steunt haar kunstenaars met basisstipendia, reisbeurzen en projectsubsidies, zodat zij in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Hier krijgen kunstenaars de tijd om ongestoord te schilderen, fotograferen, filmen of beeldhouwen – ook al is er geen vraag naar hun werk. Maar dat kan altijd komen.

Folkert de Jong is zo’n kunstenaar. Na de kunstacademie vroeg hij direct een startstipendium bij het Fonds voor Beelden Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst (BKVB) aan – en met hem vele andere beginnende beeldende kunstenaars. Momenteel bedraagt deze beurs zestienduizend euro per jaar. Die mag twee keer worden aangevraagd. Het basisstipendium stelde De Jong in staat om zich, in zijn eigen woorden, „te concentreren op de opbouw en ontwikkeling van mijn professioneel beeldend kunstenaarschap”. De Jong waste ’s avonds geen borden af. Hij werkte aan zijn eerste solotentoonstelling, in De Vleeshal in Middelburg.

Na vijf jaar kunnen beeldend kunstenaars een beroep doen op een basisstipendium van 32 duizend euro voor twee jaar. In een later stadium kan een beroep worden gedaan op een productiesubsidie (10 duizend euro) of een publicatiesubsidie voor de realisatie van een bijzondere tentoonstelling of een fraaie catalogus.

Ook heeft het Fonds BKVB buitenlandse ateliers voor Nederlandse kunstenaars, in onder meer Berlijn, Istanbul, Caïro, Pasadena, Peking en Parijs. De Jong vertrok begin 2004 naar New York, waar hij een jaar doorbracht met het artist-in-residency programma van het fonds.

Het is een systeem dat uniek is in de wereld en waar buitenlandse kunstenaars vol ongeloof en jaloezie over praten.

En nu is er een boek dat zegt

dat alles anders moet.

In de deze week verschenen essaybundel Second Opinion – over beeldende kunstsubsidie in Nederland houdt een dertigtal prominenten (museumdirecteuren, galeriehouders, critici en kunstenaars) het Nederlandse subsidiestelsel tegen het licht. En bijna allemaal komen ze tot de conclusie dat het niet of niet meer functioneert. Het gulle systeem doet meer kwaad dan goed.

Enkele conclusies: het beschikbare geld wordt over te veel kunstenaars uitgesmeerd. Dat leidt tot gelijke armoede voor iedereen. Dat leidt ook tot middelmatigheid. Beoordeling in commissies, waar de meeste stemmen gelden, draagt aan die middelmaat bij: er wordt „consensus-kunst” gemaakt. Sommige kunstenaars maken bovendien kunst die instemt met de smaak van de commissie in plaats van met de markt.

Daar komt bij, nog steeds volgens de auteurs in het boek: Nederlandse kunst en kunstinstellingen dreigen daardoor internationaal de boot te missen. Het gros van de Nederlandse galeries is te lokaal gericht. Ondertussen weigert de sector naar andere middelen te kijken; gulle particuliere gevers die in het buitenland zo belangrijk zijn, worden in Nederland meewarig bejegend.

En, ook opvallend, geen enkele kunstenaar lijkt de subsidie als belediging op te vatten – ook al houdt die eigenlijk in dat je het op eigen kracht niet redt.

Opmerkelijk is dat de bundel een initiatief is van de twee fondsen die juist verantwoordelijk zijn voor de subsidieverstrekking aan de beeldende kunst: de Mondriaan Stichting en het Fonds BKVB. En nog opmerkelijker is dat de directeuren van beide fondsen, Gitta Luiten en Lex ter Braak, in hun eigen bijdragen de felste kanttekeningen plaatsen.

Ter Braak hekelt de overdaad aan commissies die oordelen over subsidieaanvragen: „Wie er ook maar een beetje toe doet in kunstenland, zit wel ergens in een commissie”, schrijft hij. „Zo oordeelt de kunstwereld over zichzelf in de beschermde beslotenheid van commissies.” Is het een wonder dat het publiek zich heeft afgekeerd van de kunst?

En daarbij: in de commissies worden collectieve oordelen geveld die niets hebben te maken met persoonlijke passie of smaak. „Het systeem bevordert het compromis, in plaats van excellentie”, meent Luiten.

De kunst kortom, is dood gepolderd.

De twee fondsdirecteuren

pleiten daarom voor meer geld voor minder kunstenaars, „zodat er werkelijk wat bijzonders kan worden gedaan en het niet langer het gelijkmatige systeem van pappen en nathouden is.” Ook stellen zij alternatieven voor het commissiemodel voor, zoals het werken met intendanten.

Ter Braak schetst hoe het moet worden: „De betutteling van de overheid in de vorm van flankerend beleid, de Wwik (Wet werk en inkomens kunstenaars, red.), presentatiecursussen en lessen in hoe opdrachten te verwerven, is voorbij. Je krijgt een opdracht omdat er vraag is naar je werk, niet omdat je met twee woorden hebt leren spreken.”

Het huidige subsidiesysteem zou zelfs een verlammend effect op de kunstenaar en de kunstmarkt hebben. De kunstenaar hoeft zijn werk niet te verkopen, want zijn kosten zijn door de overheid gedekt. Galeriehouder Erik Bos van de Haagse galerie Nouvelles Images maakte sterke staaltjes mee. In zijn bijdrage verhaalt hij van een kunstenaar die een beurs had ontvangen en zijn werk per se zelf wilde houden – het geld had hij toch al binnen. En van een kunstenaar die niet meer dan 20.000 euro wilde verdienen, anders werd hij gekort op zijn beurs.

Een ander probleem is dat Nederland meer overheidsgeld aan de productie van hedendaagse kunst dan aan de presentatie ervan besteedt. Kunstenaars maken dus steeds meer kunst die zelden ergens wordt getoond. De oplossing is simpel, vindt Gitta Luiten: „Beleg het budget bij een beperkt aantal musea en instellingen als (geoormerkt) productiebudget.” Zo kunnen deze organisaties tenminste fatsoenlijke honoraria betalen.

Zijn kunstenaars zelf altijd blij

met de geldstromen die hen toekomen? Dat verschilt. Zo vertelt de van oorsprong Zuid-Afrikaanse schilder Marlene Dumas in Second Opinion dat ze bewust nooit om financiële ondersteuning van haar werk heeft gevraagd. „Voor iemand die uit een land komt waar de overheid eerder wantrouwen wekt en cultuurbeleid geen prominente plaats inneemt, is de gang naar de subsidieverstrekking niet vanzelfsprekend.”

Ook beeldend kunstenaar Willem de Rooij vindt dat er niet voorzichtig genoeg omgesprongen kan worden met overheidsgeld. Er is onder kunstenaars een fundamenteel gebrek aan kennis over het subsidiewezen, zegt hij, dat voortkomt uit luiheid en desinteresse. Want heeft er wel eens iemand nagedacht over wat het betekent om “te worden gesponsord door een regering die ook soldaten naar Irak stuurt?”

De Rooij is stellig: “Een kunstenaar die om wat voor reden dan ook niet tot reflectie of kritiek wil komen op de hand die hem voedt, produceert – net als in een dictatuur – staatskunst.”

Springt er dan niemand op de bres voor de kunstsubsidie? Toch. Zo schrijft Sjarel Ex, directeur van Museum Boijmans van Beuningen: „Bijna nergens meer bestaat een plek waar nog waardevrij, zonder economische dwang en alleen om immaterieel en geestelijk gewin wordt gedacht en gehandeld (...) Als Van Gogh van de markt afhankelijk was geweest, hadden we nooit van Vincent gehoord.”

En: „De markt eist van kunstenaars dat ze smaakbevestigend werken. Je moet er toch niet aan denken dat Nederlandse kunstenaars zich nu zouden aanpassen aan wat de markt verwacht?”

Natuurlijk voelt ook Folkert de Jong zich geroepen tegenwicht te bieden aan de massale ‘alles moet anders’-roep. Inmiddels exposeert hij regelmatig in het buitenland. En dat heeft hij mede met financiële ondersteuning van de overheid weten te bereiken. Dat kunstenaars betere kunst gaan produceren door minder of geen geld te geven, lijkt hem dan ook „een foute gedachte”.

De Jong schrijft in zijn bijdrage aan Second Opinion: „De beeldend kunstenaar als succesvol ondernemer is een beeld dat veel mensen graag zien: onafhankelijk van subsidie, in staat een eigen product aan de man te brengen – maar waar, en op wat voor manier eigenlijk?”

Second Opinion – over beeldende kunstsubsidie in Nederland. Redactie: Lex ter Braak, Gitta Luiten, Taco de Neef, Steven van Teeseling. 249 pag. 17,50 euro. Inl: www.fondsbkvb.nl, www.mondriaanfoundation.nl