Aangestoken door een oerkracht

Drieëndertigste deel van een serie over het leven van bekende en onbekende bomen in Nederland.

We moeten, zei Walter de Wit, het weer eens over Philemon en Baucis hebben. Da’s goed, zei ik, dan kom ik ook naar je bonsaiboompjes kijken. We maakten een afspraak.

Philemon en Baucis waren oudjes in het oude Griekenland. Zeus was zo onder de indruk van hun rechtschapenheid dat hun bede om gelijktijdig te mogen sterven werd verhoord, waarna ze in bomen veranderden. En daar staan ze: twee zomereiken, arm in arm aan de Beekhuizense Beek in Velp.

„Als ik Paulus Nijhoff mag geloven”, zegt De Wit, „waren ze in zijn tijd al eeuwenoud”.

Dat slaat op een wandelgidsje uit MDCCCXXV (inderdaad: 1825) waarin ter plaatse melding wordt gemaakt van „twee statige eiken, die eenen meer dan driehonderdjarigen ouderdom bereikt hebben”.

Ze staan op grondgebied van de gemeente Rheden, net buiten het National Park Veluwezoom, waarvan De Wit (61) jarenlang beheerder is geweest. Zijn zorg: „Dat ze nu ze meer en meer ingepakt worden door het omringende bos – fijnspar van een jaar of zestig – niet de aandacht krijgen die ze nodig hebben, dat ze een keer sneuvelen zonder dat iemand er erg in heeft.” Want er zit dood hout in.

„Dood hout”, zeg ik, „blijft tegenwoordig toch gewoon staan?”

„Maar niet langs de paden”, zegt De Wit. „Al die beheerders zijn als de dood voor schadeclaims.”

„Daar”, zeg ik, „kan ik me wel iets bij voorstellen.”

„Ha!”, zegt De Wit dan. In een kleine dertig jaar heeft hij zelf welgeteld één schadeclaim gehad: een man met een deuk in zijn motorkap en de boosdoener in de achterbak, een beukentak. Toen hij vroeg waar dat gebeurd was, noemde die man een parkeerplaats – waar uitsluitend eiken stonden. Die had dus wel een verhaal, maar geen goed verhaal (geen bomenman).

„Kijk”, zegt De Wit, „het snoeien van een boom kost misschien duizend euro, maar het omzagen ervan maar een paar tientjes. En dat zou toch verschrikkelijk zijn.”

Zeker, dat zou verschrikkelijk zijn.

Met deze vaststelling gaan we van grote bomen over op kleine. Het frappante is: hoe klein ook, je ziet meteen dat het bomen zíjn. Kennelijk lopen we allemaal met een beeld van boom in ons hoofd waarbij afmetingen pas op de tweede plaats komen.

Bonsais, De Wit heeft er wel tachtig. De methode is Japans, de boompjes zelf zijn bijna zonder uitzondering Veluws. Daar is ook weer een Japanse term voor: yamadori – uit de natuur. De Wit: „Ik had altijd een schop in de auto.”

Want je wilt niet zomaar een kleine boom, je wilt een kleine boom die eruitziet alsof hij al heel wat heeft meegemaakt. Je wilt een knoestige stam, een dramatische voet, een woeste kroon. Je wilt in het bestek van een mensenleven bij een boom bereiken wat de natuur in de loop van een handvol eeuwen bij Philemon en Baucis heeft bereikt. Dat haal je niet als je met zaden of zaailingen zou beginnen.

Dus voortdurend op de uitkijk naar boompjes die al een zekere voorbehandeling hebben ondergaan, een dingetje aan een wildpad (jarenlang aangevreten door herten) of uit een boerenheg (jarenlang bewerkt met een snoeischaar).

Dat gaat van es tot lariks, van haagbeuk tot sleedoorn. Dat gaat mee naar huis en dan begint het stelmatige verkleinen, het bevorderen van harmonie tussen stam, kroon en hoogte, het onophoudelijk snoeien, sproeien en bedraden. „Heerlijk werk”, zegt De Wit. „Je vergeet de wereld, je wordt compleet aangestoken door de oerkracht van zo’n boom.”

„Je zat bij Natuurmonumenten”, zeg ik. „Ja”, zegt hij.

„Natuurmonumenten wil dat bomen hun gang kunnen gaan.”

„Ik ook”, zegt hij.

„En jij neemt bomen mee naar huis om ze je wil op te leggen.”

Hij schiet in de lach. „Maar om ze zo op hun donder te kunnen geven”, zegt hij, „moet ik ze toch om te beginnen in leven weten te houden. De groene fabriek moet intact blijven.”

Zo dwalen we nog wat door zijn miniatuurwoud. Jaarringen? O, absoluut. Als er eens een doodgaat, zal hij hem doorzagen. En dan een loep gebruiken. Misschien wel twintig op een centimeter.

Koos van Zomeren