Maak Amsterdam pensioencentrum van Europa

Nederland moet de rode loper uitleggen voor de Europese pensioenfondsen. Daarmee blijft Amsterdam een financieel centrum. Wel moeten de eisen aan de fondsen soepeler, schrijven Kees Koedijk en Alfred Slager.

ABN Amro zal waarschijnlijk over een paar maanden niet meer dezelfde zijn. Naast nostalgie overheerst het gevoel dat de rol van de financiële sector in de Nederlandse economie langzaam wordt uitgekleed. De Amsterdamse beurs had al langer de ambitie opgegeven een speler van wereldformaat te worden. Nu lijken de banken te volgen.

Buitenlandse fusies en overnames volgen elkaar in hoog tempo op, waarbij Nederland een steeds kleinere rol speelt. Uit geheel onverwachte hoek kwam vorige week hulp. Agnes Jongerius, voorzitter van de FNV, pleitte voor versterking van de financiële sector rond Amsterdam door te proberen de Europese pensioenfondsen hierheen te halen.

Pensioenfondsen zijn slapende reuzen binnen onze landsgrenzen. In totaal beleggen zij 500 miljard euro aan pensioengeld voor de oude dag. Samen met de verzekeraars beleggen zij ruim de helft van het nationale vermogen van Nederland. Ook op Europese schaal zijn het reuzen. De Zuid- en Oost-Europese lidstaten kijken vol afgunst naar Nederland. Zelf staan zij nog maar aan het begin van een goed werkende pensioenindustrie.

De pensioensector in Nederland is klein maar efficiënt. Volgens het CBS werken er 6.000 mensen direct bij pensioenfondsen en pensioenuitvoerders. Daarnaast biedt de sector werk voor ruim 41.000 mensen, die indirect betrokken zijn bij pensioenactiviteiten. Dit is hoogwaardige dienstverlening die varieert van beleggers tot fiscalisten. Door buitenlandse pensioenfondsen naar Nederland te halen wordt Nederland het pensioencentrum van Europa en nemen financiële banen en hoofdkantoren in Amsterdam weer toe.

Het pleidooi van Jongerius is sympathiek, maar ontoereikend. Alleen als de bakens door álle partijen worden verzet kan het herstel van Amsterdam een kans maken. Die urgentie moet door beleidsmakers, vakbonden en financiële partijen worden gevoeld. Tot nu toe gaan de bestuurders ervan uit dat ons land het beste pensioensysteem van Europa heeft en dat het slechts een kwestie van tijd is totdat Europa dat ontdekt. De buitenlandse pensioenfondsen komen vanzelf naar ons toe.

Dit is niet houdbaar. De ervaringen in Ierland en Luxemburg waar in een aantal jaren een omvangrijke financiële industrie is ontstaan, geven aan dat beleidsmakers veel meer werk moeten maken van het versterken van de financiële sector. Nederland kan nog een puntje zuigen aan de inspanningen van Ierland en België. Als een buitenlandse financiële dienstverlener Ierland bezoekt, worden de bestuurders direct voor een kopje koffie ontvangen bij de rechterhand van de Ierse minister-president, de Taoiseach. Deze biedt aan om te onderzoeken hoe hij kan helpen bij een eventuele vestiging. Net als het Ierse investeringsagentschap, dat helpt bij investeringen die gedaan moeten worden.

Het binnenhalen van financiële dienstverleners is sinds de jaren ’90 een van de succesvolste wapenfeiten van Ierland. De Ieren denken mee. Zij beseffen dat een financieel centrum alleen floreert als er kritische massa ontstaat. Nieuwe pensioenfondsen vragen om nieuwe producten, stimuleren innovatie en maken het aantrekkelijker voor hooggekwalificeerde mensen om naar Dublin te trekken. Een financieel centrum drijft op dynamiek.

In België is onlangs die les ook getrokken. De Belgische minister-president Guy Verhofstadt heeft even geen tijd voor zijn Europese collega’s. Dit voorjaar trekt hij als een ware handelsreiziger langs de Europese hoofdsteden en presenteert België als een aantrekkelijke vestigingsplaats voor Europese pensioenfondsen. Een regering die de daad bij het woord voegt, en actief werft in het buitenland.

In Nederland wordt te simplistisch gedacht over de initiatieven van de Belgen die actief de hort op gaan om pensioenfondsen te werven. De Nederlandse toezichthouder en ministeries zouden op zijn minst samen moeten werken en een agentschap opzetten dat de pensioenfondsen actief werft. Volgens adviseur Ernst & Young komen steeds meer Europese hoofdkantoren naar Nederland. Wat ligt meer voor de hand dan te adviseren dat ook de pensioenfondsen kunnen verhuizen naar Nederland?

Toezichthouders die Amsterdam tot financieel centrum willen maken, moeten zich ook afvragen of de hoge vermogenseisen voor Nederlandse pensioenfondsen nog wel verstandig zijn. België biedt nu de mogelijkheid om een veel goedkoper pensioen op te zetten. In Nederland cultiveert men een financieel systeem dat hecht aan zekerheden, die Europees gezien een duur pensioenproduct opleveren. Daarmee loopt de Nederlandse pensioensector het risico de concurrentievoordelen te verspelen die hij nu heeft. Pensioenbeleggingen staan in Europa in de kinderschoenen, maar Nederland bezit het kenniscentrum.

Als niet snel wordt ingegrepen, leiden de Nederlandse universiteiten straks experts voor het buitenland op. Veel verstandiger lijkt het als De Nederlandsche Bank en het ministerie van Financiën nadenken over verschillende toezichteisen en zekerheden voor verschillende typen pensioeninstellingen om zo ook startende pensioenfondsen naar Nederland te halen. Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen moeten vrij zijn het de soort organisatie, de aanpak en de rol van de deelnemers.

Het is de hoogste tijd om Jongerius’ pleidooi om te zetten in concrete stappen voor het behoud van de Nederlandse pensioenfondsen en herstel van Amsterdam als financieel centrum.

Kees Koedijk is hoogleraar Financieel Management RSM Erasmus University. Alfred Slager is universitair docent RSM Erasmus University.