Japanners vliegen over voor dressuurles

Japan kent geen lange dressuurtraditie. En dus huren veel Japanse dressuurruiters een topcoach in Nederland of Duitsland in. Maar dat leidt niet automatisch tot topscores. „Met een duur paard ben je er niet.”

„Ik wil graag wereldkampioen worden.” Kuranojo Saito (55) knippert geen moment met zijn ogen als hij zijn ambitieuze plan ontvouwt. Hij zegt het met zo’n overtuigingskracht, dat het geen kwestie van of, maar wanneer lijkt. Een Japanse wereldkampioen dressuur, waarom eigenlijk niet?

Saito is kind aan huis in Brakkestein, een dressuurstal in het centrum van Nijmegen. Met zelfverzekerde tred loopt hij de boxen van zijn vier paarden af, zo nu en dan iets in hun oor fluisterend. „We voelen ons hier thuis”, zegt zijn vrouw Kishiko (51) met een zucht die het midden houdt tussen vreugde en opluchting. „Nederland heeft veel weg van Japan. Alleen de taal speelt ons parten.” Het stel woont eenderde van het jaar in een „comfortabel rijtjeshuis” in het nabijgelegen Cuijk. Voor de overige acht maanden geeft Saito in Tokio leiding aan het postbedrijf dat hij van zijn moeder erfde.

Toen ‘Joe’, zoals zijn bijnaam luidt, Brakkestein voor het eerst bezocht, had hij veel ervaring met eventing, een discipline waarbij de verschillende aspecten van de paardensport aan bod komen. „Dressuur was niet zijn sterkste punt”, zegt stalhouder Henk van Bergen, die de Japanner sinds elf jaar begeleidt. Maar volgens de oud-bondscoach dressuur (1988-1992) heeft Saito een grote werklust en is het niet ondenkbaar dat hij zich kwalificeert voor de Olympische Spelen van 2008, die voor de paardensport in Hongkong worden gehouden. „Kuranojo heeft al aan drie Wereldruiterspelen meegedaan. Hij haalt misschien geen topscores. Maar het feit dat een Japanner zich weet te kwalificeren voor een grote wedstrijd, is op zichzelf al een hele prestatie.”

Saito is niet de enige Japanse dressuurruiter die bij een Nederlandse topcoach traint. Ook Toshihiko Kiso (67), die in Tokyo een zakenimperium runt, vliegt om de paar maanden tussen Japan en Nederland op en neer. Op de manege van tweevoudig olympisch kampioene Anky van Grunsven en haar man Sjef Janssen in Erp werkt hij aan zijn piaffe en passage. De Japanner, op concoursen vaak de oudste deelnemer, spreekt gebrekkig Engels. En het Japans van Janssen strekt niet verder dan de paar paardenuitdrukkingen die hij kent uit de tijd dat hij het Japanse team adviseerde. „Maar we komen er wel. Kiso is een harde werker en bezit een goed paard. Als alles meezit rijdt hij volgend jaar in Hongkong.”

Het Japanse dressuurteam oogstte tot nu toe weinig succes op de Olympische Spelen. Hoewel paardrijden populair is in het eilandenrijk, schort het aan een lange dressuurtraditie. Om die reden wijken veel Japanse ruiters – merendeels zakenlieden – naar landen als Nederland en Duitsland uit. Ze kopen er toppaarden, huren een toptrainer en hopen op een medaille op een groot kampioenschap. Zoals Yoshinaga Sakurai, die begin jaren negentig voor veel geld ‘Matador’ aanschafte. Matador won met de Finse dressuurlegende Kyra Kyrklund een zilveren medaille op de Wereldruiterspelen van Stockholm en bereikte een vijfde plaats op de Olympische Spelen van Seoul in 1988. Maar met Sakurai maakte de hengst vier jaar later in Barcelona weinig indruk.

„Veel Japanse ruiters lijden aan het ‘Nissan-syndroom’”, vindt Janssen. „Slurf erin en draaien maar. Maar een paard is geen machine. En wie een toppaard bezit, haalt nog geen topscores.” Zijn collega Van Bergen spreekt van waste money. „Want je kunt wel miljoenen in stallen, veterinairs, paarden en management steken, maar uiteindelijk komt het neer op goede leermethoden.”

Dat die leermethoden door Japan geïmporteerd moeten worden, staat volgens Etsuko Nagami (51) als een paal boven water. De paardenhandelaar uit Tokio, die sinds 1992 in het Gelderse Zelhem woont, werd onlangs door de Japanse hippische bond benaderd om lid te worden van de internationale dressuurdivisie. „En dat schept mogelijkheden”, zegt zij. Als het aan Nagami ligt, benoemt de bond op korte termijn een Europeaan tot chef d’équipe. „Een ervaren en liefst ook invloedrijk dressuurspecialist die een goed team kan formeren. Én trainen. Nu komen de ruiters pas twee weken voor een wedstrijd bij elkaar en rijden zij vooral voor zichzelf. Het ontbreekt aan continuïteit.”

De internationale hippische federatie FEI probeert kleine, ambitieuze dressuurnaties een helpende hand te bieden. Zo krijgen zij meer mogelijkheden om zich buiten de Wereldruiterspelen of de wereldranglijst om te kwalificeren voor de Olympische Spelen. En mogen toplanden nog maar drie ruiters afvaardigen (voorheen vier) zodat nieuwkomers ook een kans krijgen. „Of dat op korte termijn Japanse medaillekandidaten oplevert waag ik te betwijfelen”, zegt Mariëtte Withages, de Belgische dressuurvoorzitter van de FEI. „Het zelfvertrouwen van Japanners is groot, maar met een duur paard alleen ben je er niet.”

Kuranojo Saito is de eerste om dat toe te geven. „Ik ben misschien ambitieus”, zegt de Japanner die inmiddels weer terug is in Tokio. „Maar ik knok voor elk punt.”